OVERWEGINGEN
Het verzoek om wraking van de voorzitter van de wrakingskamer is bij mondelinge uitspraak van 28 november 2013 niet-ontvankelijk verklaard.
Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Blijkens de memorie van toelichting bij artikel 8:15 van de Awb is de ratio van het instituut van wraking gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid.
Verzoeker heeft aan het verzoek om wraking van de behandelend rechters Talman en Bandringa ten grondslag gelegd dat zij in 2010 mede afwijzend hebben beslist op drie wrakingsverzoeken van verzoeker. Verzoeker meent dat de afwijzing van zijn wrakingsverzoeken in 2010 op onjuiste gronden heeft plaatsgevonden, als gevolg waarvan een alternatief rechtstelsel mogelijk wordt, de linkse Joodse sharia (Jolish). Als één van de acties hiertegen houdt verzoeker een register bij van personen die zich bij het uitoefen van hun functie schuldig maken aan het ondersteunen van de Jolish. Alle leden van de wrakingskamers die in 2010 afwijzend hebben beslist op de wrakingsverzoeken van verzoeker zijn in dat register opgenomen. Tegen alle rechters die zijn opgenomen in dat register dient verzoeker in voorkomend geval een wrakingsverzoek in. Het is ongepast dat de behandelend rechters Talman en Bandringa actief zijn in de thans aanhangige hoger beroepen, gezien hun inspanning als lid van de wrakingskamer om vervolging van collega-rechters, op basis van een leugenachtige bewering, te voorkomen.
Een wrakingsgrond moet zijn gelegen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op de (persoon van de) rechter die de zaak behandelt; het wrakingsverzoek dient het betrokken lid of de betrokken leden van het rechterlijk college te betreffen en niet het rechterlijk college als zodanig. Bij een beoordeling van een beroep op het ontbreken van de onpartijdigheid van de rechter dient voorts het uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9141).
Daargelaten het antwoord op de vraag of verzoeker zijn verzoek om wraking heeft ingediend zodra de feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:15 van de Awb aan hem bekend zijn geworden, heeft de onpartijdigheid van de rechter niet reeds te lijden door de omstandigheid dat die rechter eerder uitspraak heeft gedaan in een zaak waarin verzoeker partij was en daarbij in het ongelijk is gesteld (vergelijk de uitspraak van de Raad van
18 december 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG8693, en het arrest van de Hoge Raad van
16 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU8280). Nu de wrakingsverzoeken ook overigens geen feiten of omstandigheden behelzen die erop wijzen dat de rechterlijke onpartijdigheid van de behandelend rechters Talman en Bandringa schade zou kunnen lijden, zullen de verzoeken worden afgewezen.
Verzoeker maakt, gezien de onder 4.2 vermelde rechtspraak en de door verzoeker aangevoerde gronden, misbruik van de bevoegdheid wrakingsverzoeken in te dienen. Gelet op het bepaalde in artikel 8:18, vierde lid, van de Awb zal worden bepaald dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in deze hoger beroepen niet in behandeling wordt genomen.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- wijst de verzoeken om wraking van de behandelend rechters af;
- bepaalt dat een volgend verzoek om wraking van de behandelend rechters in 11/2064 WWB
en 11/5486 WWB niet in behandeling wordt genomen.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en M. Greebe en B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 december 2013.
(getekend) E.J.M. Heijs
(getekend) R.L. Rijnen
GdJ