OVERWEGINGEN
Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Bij besluit van 10 juni 2011 heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek van appellante, geboren in 1921, om op grond van de Wbp in aanmerking te worden gebracht voor onder meer een buitengewoon pensioen. Verweerder heeft in dat verband overwogen dat niet is aangetoond of aannemelijk is gemaakt dat appellante heeft behoord tot de deelnemers aan het verzet en dat zij evenmin heeft behoord tot een van de categorieën van personen op wie de Wbp van toepassing is.
Op 10 oktober 2011 heeft appellante tijdens een telefoongesprek met een medewerkster van verweerder vernomen dat verweerder geen bezwaarschrift heeft ontvangen. Vervolgens heeft appellante alsnog een bezwaarschrift ingediend, dat op 12 oktober 2011 bij verweerder is ingekomen. Gevraagd naar de reden van het te laat indienen van het bezwaarschrift heeft appellante aangegeven dat zij het bezwaarschrift weliswaar niet-aangetekend heeft verzonden maar wel tijdig in juli 2011 op de brievenbus heeft gedaan.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder vervolgens het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat appellante geen verontschuldigbare reden voor de termijnoverschrijding heeft opgegeven.
Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.
Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring wegens overschrijding van de termijn achterwege, indien
- kort gezegd - de indiener redelijkerwijs niet kan worden verweten dat de termijn is overschreden.
Ook de Raad ziet in hetgeen appellante naar voren heeft gebracht geen reden om aan te nemen dat zij binnen de termijn een bezwaarschrift heeft ingediend of dat de termijnoverschrijding als verschoonbaar is aan te merken. Daarvoor is de enkele verklaring van appellante dat zij het bezwaarschrift in juli in de brievenbus heeft gedeponeerd niet toereikend. Het is vaste rechtspraak dat als de indiener van een bezwaar- of (hoger)beroepschrift heeft gekozen voor niet-aangetekende verzending de gevolgen van die keuze voor risico van de indiener komen. Dat appellante de tijdige indiening van een bezwaarschrift niet kan bewijzen, moet dan ook voor haar eigen rekening blijven.
Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2013.
(getekend) R. Kooper
(getekend) T.A. Meijering