ECLI:NL:CRVB:2013:787

ECLI:NL:CRVB:2013:787, Centrale Raad van Beroep, 02-07-2013, 12-6566 WWB

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 02-07-2013
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 12-6566 WWB
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 5 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

Het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding. Terugvordering staat in rechte vast. Brutering. Nu appellant het teruggevorderde bedrag niet uiterlijk op 31 december 2011 aan het college heeft voldaan, was het college ingevolge artikel 58, vierde lid, van de WWB bevoegd tot brutering van de vordering met de door het college afgedragen loonheffing. Schending inlichtingenverplichting. Nu de terugvordering niet buiten zijn toedoen is ontstaan, is niet meer van belang of hij door het handelen van het college niet meer in staat was voor het einde van het kalenderjaar de terugvordering te voldoen.

Uitspraak

OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Op 11 januari 2011 heeft de Regiopolitie Midden en West Brabant in de woning van appellant een hennepkwekerij aangetroffen. Bij brief van 6 juni 2011 heeft het college appellant bericht dat hij niet tijdig de volledige informatie heeft verschaft die nodig was om bijstand te kunnen verlenen of vast te stellen, nu hij nooit melding heeft gemaakt van de hennepkwekerij en dat hij in de gelegenheid wordt gesteld hierover te worden gehoord dan wel zijn zienswijze in te dienen. Appellant heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Bij de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) heeft appellant doorgegeven dat hij per 1 juli 2011 op een adres in Turkije woonachtig is.

Bij besluit van 12 juli 2011 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van

21 september 2010 ingetrokken. Daartoe is overwogen dat wegens het exploiteren van een hennepkwekerij het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Appellant heeft de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden aangezien hij de exploitatie van de hennepkwekerij en de daarmee verworven inkomsten niet bij het college heeft gemeld. Het college heeft de over de periode van 21 september 2010 tot 1 juli 2011 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 7.965,43 van appellant teruggevorderd.

Het college heeft appellant bij besluit van 19 januari 2012 bericht dat de in 1.2 vermelde vordering, voor zover deze is ontstaan in 2011, per 1 januari 2012 is gebruteerd.

Bij besluit van 19 januari 2012 (bestreden besluit 1) heeft het college, voor zover hier van belang, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 juli 2011 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat zijn bezwaarschrift niet tijdig is ingediend en geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Bij besluit van 1 mei 2012 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 januari 2012 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellant tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft daarbij zijn beroepsgronden integraal ingelast en herhaald en verwezen naar hetgeen hij ter zitting van de rechtbank op 14 september 2012 naar voren heeft gebracht. Appellant heeft aangevoerd dat het college ten onrechte de termijnoverschrijding van zijn bezwaar tegen het besluit van

12 juli 2011 niet verschoonbaar heeft geacht. Appellant betwist de rechtmatigheid van het terugvorderingsbesluit van 12 juli 2011 en stelt zich op het standpunt dat dus geen grond bestaat voor brutering van de vordering. Appellant heeft ter zitting van de rechtbank verder betoogd dat de brutering onredelijk is aangezien het college ernstig heeft getreuzeld met de terugvordering, waardoor appellant de kans is ontnomen om voor het einde van 2011 het openstaande bedrag te betalen.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De termijnoverschrijding

Vaststaat dat appellant per 1 juli 2011 is geremigreerd naar Turkije en dat het besluit van 12 juli 2011 is verstuurd naar het bij de GBA laatst bekende adres van appellant in Turkije, zoals hij dat zelf had opgegeven. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat appellant heeft verzuimd zijn juiste adres aan de GBA door te geven en dat dit voor zijn rekening en risico komt. Dit geldt te meer omdat het appellant, gelet op de brief van het college van 6 juni 2011, redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat het college hem nog zou aanschrijven met betrekking tot zijn bijstandsuitkering. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, te weten dat de lokale overheid de benaming van zijn adres in Turkije buiten zijn medeweten heeft gewijzigd, waardoor hij het besluit niet heeft ontvangen, kan geen grond worden gevonden voor het oordeel dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb.

De brutering

Aangezien met de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het besluit van

12 juli 2011 dit besluit tot terugvordering in rechte vast staat, treft de betwisting van de rechtmatigheid van dat besluit thans geen doel. Nu appellant het teruggevorderde bedrag niet uiterlijk op 31 december 2011 aan het college heeft voldaan, was het college ingevolge

artikel 58, vierde lid, van de WWB bevoegd tot brutering van de vordering met de door het college afgedragen loonheffing.

Volgens vaste rechtspraak (CRvB 28 augustus 2012, LJN BX6096) dient te worden afgezien van de uitoefening van de in artikel 58, vierde lid, tweede volzin, van de WWB neergelegde bevoegdheid tot bruto terugvordering, indien sprake is van een vordering die is ontstaan buiten toedoen van de betrokkene en hem niet kan worden verweten dat de betaling van de schuld niet reeds is voldaan in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar die uitspraak van de Raad, met juistheid overwogen dat de in geding zijnde vordering is ontstaan wegens een schending van de op appellant rustende wettelijke inlichtingenverplichting en dat het college reeds daarom in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot brutering. Nu de terugvordering niet buiten zijn toedoen is ontstaan, is dus, anders dan appellant wil, niet meer van belang of hij door het handelen van het college niet meer in staat was voor het einde van het kalenderjaar de terugvordering te voldoen.

Ook in wat appellant overigens ten aanzien van de brutering heeft aangevoerd, heeft de Raad geen aanleiding gevonden om het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen voor onjuist te houden.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en

F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2013.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) V.C. Hartkamp

ew

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?