ECLI:NL:CRVB:2013:881

ECLI:NL:CRVB:2013:881, Centrale Raad van Beroep, 28-06-2013, 12-2549 WWAJ

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 28-06-2013
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 12-2549 WWAJ
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBROT:2012:1422
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 5 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0008657

Samenvatting

Geen recht op een uitkering op grond van de Wet Wajong. De voorgehouden functies leveren een verdiencapaciteit op die hoger ligt dan het wettelijk minimumjeugdloon. De arbeidsdeskundige heeft terecht en afdoende gemotiveerd te kennen gegeven dat deze functies geschikt zijn te achten voor appellante, gelet op haar functionele mogelijkheden zoals deze zijn vastgelegd in de FML.

Uitspraak

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, geboren [in] 1992, heeft bij formulier Aanvraag Wajong, gedateerd november 2010, verzocht om arbeids- en inkomensondersteuning op grond van de Wet Werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong).

1.2. Bij besluit van 16 maart 2011 heeft het Uwv geweigerd om aan appellante een uitkering ingevolge de Wet Wajong toe te kennen omdat niet is gebleken dat zij gedurende 52 weken onafgebroken minder dan 75% van het minimum(jeugd)loon kan verdienen.

1.3. Bij beslissing op bezwaar van 24 augustus 2011 (besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. Besluit 1 is gebaseerd op het standpunt dat appellante per einde wachttijd in staat was om tenminste 75% van het maatmaninkomen te verdienen en daarom geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet Wajong. Hiertoe is onder andere verwezen naar de artikelen 3:1, 3:2 en 3:3 van de Wet Wajong.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen besluit 1 ongegrond verklaard. Hiertoe heeft zij overwogen, dat nu de aanvraag van appellante dateert van na 1 januari 2010, de per die datum in werking getreden Wet Wajong van toepassing is, waarbij zij heeft vastgesteld dat de aanvraag dient te worden beoordeeld in het kader van hoofdstuk 3 van die wet. De rechtbank ziet geen grond voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling zoals deze is neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Nu niet is gebleken dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van appellante overschrijdt, zijn deze functies geschikt te achten voor appellante. Vergelijking van het bij de voorgehouden functies behorende inkomen met het maatmaninkomen levert een verlies van verdienvermogen op van minder dan 25%.

Het hoger beroep van appellante is gericht tegen de medische beoordeling. Appellante is van mening dat uit de aan de verzekeringsarts toegezonden brief van reumatoloog

prof.dr. J.M.W. Hazes van 10 februari 2011 valt op te maken dat haar klachten verergeren bij bewegen. Deze reumatoloog vermeldde immers het volgende: “Patiënte had reeds vijf à zes jaar pijn in vrijwel alle gewrichten en in de rug, verergerend bij bewegen met tevens ochtendstijfheid”. Deze opmerking van de reumatoloog had voor de rechtbank aanleiding moeten zijn voor twijfel aan de juistheid van de FML, met name ten aanzien van de werktijden. Ten onrechte heeft de (bezwaar)verzekeringsarts geen aanleiding gezien voor het vaststellen van een urenbeperking.

Het Uwv heeft bij beslissing op bezwaar van 21 maart 2013 (besluit 2), onder intrekking van besluit 1, opnieuw het bezwaar van appellante ongegrond verklaard met een gewijzigde motivering. Het Uwv heeft hierbij meegedeeld dat om aanspraak te kunnen maken op een inkomensvoorziening op grond van de Wet Wajong in eerste instantie moet worden voldaan aan de voorwaarden voor het recht op arbeidsondersteuning, die zijn opgenomen in de artikelen 2:3 en 2:15 Wet Wajong. Als aan deze voorwaarden is voldaan bestaat er wellicht (ook) recht op inkomensondersteuning (artikel 2:39) of, in geval van duurzame arbeidsongeschiktheid, recht op een uitkering (artikel 2:45). De ingangsdatum voor het recht op arbeids- en dus ook inkomensondersteuning ligt 16 weken na de indieningsdatum van de aanvraag bij het Uwv, 19 november 2010, dit is 11 maart 2011. De ingangsdatum voor een eventuele uitkering in verband met duurzame arbeidsongeschiktheid zou 19 november 2010 zijn, de datum waarop de aanvraag bij het Uwv is ingediend. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat er geen sprake was van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid op

11 maart 2011 en ook niet op 19 november 2010. Gelet op de rapportages van de (bezwaar)verzekeringsarts en de primaire arbeidsdeskundige was appellante op 11 maart 2011 in staat om met de voorgehouden functies meer te verdienen dan het maatmaninkomen. Daarom heeft zij geen recht op arbeids- en dus ook niet op inkomensondersteuning met ingang van 11 maart 2011.

De Raad overweegt het volgende.

Gelet op het bepaalde in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht, zoals deze met ingang van 1 januari 2013 is komen te luiden, heeft het hoger beroep van appellante van rechtswege mede betrekking op besluit 2. Besluit 2 wordt dan ook betrokken bij de beoordeling van het hoger beroep.

Nu het Uwv het standpunt, ingenomen bij besluit 1, niet langer handhaaft en dit besluit heeft ingetrokken slaagt het hoger beroep en komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Besluit 1 dient eveneens vernietigd te worden.

Vervolgens is aan de orde de beoordeling van het beroep van appellante tegen besluit 2. Op de aanvraag van appellante zijn de bepalingen van hoofdstuk 2 van de Wet Wajong, zoals deze wet is gewijzigd bij de Wet van 3 december 2009, Stb. 2009, 580, van toepassing. Deze wijziging is in werking getreden op 1 januari 2010.

Nu sprake is van een laattijdige aanvraag heeft het Uwv terecht in de eerste plaats beoordeeld of appellante op de datum van indiening van de aanvraag volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was dan wel op 16 weken na de datum van indiening van de aanvraag niet in staat was om meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen.

De verzekeringsartsen hebben vastgesteld dat bij appellante sprake is van fibromyalgie waardoor zij verminderde functionele mogelijkheden heeft. Deze zijn vastgelegd in de FML van 10 maart 2011, waarbij diverse beperkingen zijn opgenomen, onder andere ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren alsmede ten aanzien van dynamische handelingen en statische houdingen. Appellante wordt in staat geacht om gemiddeld ongeveer 8 uur per dag, 40 uur per week te werken, waarbij werkzaamheden in de nacht zijn uitgesloten. De informatie van reumatoloog Hazes van 10 februari 2011 noch de in hoger beroep ingediende stukken van GZ-psycholoog Y. de Jong van 8 december 2011 en 26 januari 2012 en FourstaR West B.V. doen af aan de verzekeringsgeneeskundige beoordeling. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapportage van 12 augustus 2012 duidelijk gemotiveerd vermeld dat met de door de reumatoloog Hazes vermelde functiebeperking en pijnklachten rekening is gehouden in de FML en dat er geen aanleiding is om een verdere urenbeperking aan te brengen. De bezwaarverzekeringsarts heeft bij rapportage van 17 september 2012 gereageerd op de informatie van GZ-psycholoog De Jong en FourstaR West B.V. en geconcludeerd dat deze informatie geen nieuwe objectief medische feiten bevat die een ander besluit rechtvaardigen. Het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts is afdoende onderbouwd. Daarbij hecht de Raad met name belang aan de omstandigheid dat namens appellante tijdens de hoorzitting in augustus 2011 naar voren is gebracht dat de psychosociale problematiek als opgelost kan worden beschouwd en dat appellante noch bij de primaire verzekeringsarts in december 2010 noch in de bezwaarprocedure psychische problematiek naar voren heeft gebracht. De informatie van FourstaR West B.V. betreft conclusies en resultaten van psychodiagnostisch onderzoek en van een fysiek belastbaarheidsonderzoek van appellante in het kader van de Wet investeren in jongeren, welke wet een ander wettelijk kader kent dan de Wet Wajong. Bovendien blijkt niet dat bij deze onderzoeken nieuwe medische feiten naar voren zijn gekomen. Deze informatie leidt dan ook niet tot twijfel aan de juistheid van de FML.

De voorgehouden functies van productiemedewerker industrie (SBC-code 11180), samensteller elektronische apparatuur (SBC-code 267050) en machinebediende inpak

(SBC-code 271093) leveren een verdiencapaciteit op die hoger ligt dan het wettelijk minimumjeugdloon. De arbeidsdeskundige heeft terecht en afdoende gemotiveerd te kennen gegeven dat deze functies geschikt zijn te achten voor appellante, gelet op haar functionele mogelijkheden zoals deze zijn vastgelegd in de FML.

Gelet op de overwegingen 5.6 en 5.7 dient het beroep tegen besluit 2 ongegrond te worden verklaard.

Er bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 472,- wegens verleende rechtsbijstand in beroep en op € 1.416,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.888,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en E.J. Govaers en K. Wentholt als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2013.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) I.J. Penning

JL

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?