OVERWEGINGEN
1.1. Appellant heeft sinds april 2008 gewerkt als mede-eigenaar van een steenzagerij. Hij is toegelaten tot de vrijwillige verzekering op grond van de Ziektewet (ZW) en de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Op 6 oktober 2008 is appellant uitgevallen voor zijn werk in verband met klachten aan zijn rechterelleboog, waarvoor hij een operatie moest ondergaan.
1.2. Bij besluit van 13 augustus 2010 heeft het Uwv appellant met ingang van 4 oktober 2010 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend op basis van een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Het door appellant gemaakte bezwaar tegen dit besluit heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 13 december 2010 (bestreden besluit) gegrond verklaard, waarbij is bepaald dat de WGA-uitkering per 4 oktober 2010 wordt gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft hiertoe overwogen dat er geen aanleiding is voor twijfel aan de zorgvuldigheid en juistheid van de medische beoordeling. De verzekeringsarts achtte appellant aangewezen op elleboogsparende arbeid. De bezwaarverzekeringsarts heeft, na lichamelijk onderzoek op 26 september 2010 en na bestudering van de uitgebreide informatie van vijf door appellant ingeschakelde orthopedisch chirurgen en een revalidatiearts, aanvullende beperkingen vastgesteld en neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 17 november 2010. De rechtbank ziet geen grond voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling en de vastgestelde beperkingen. De door appellant ingediende brief van orthopedisch chirurg Eygendaal van 3 maart 2011 ziet niet op de datum in geding, 4 oktober 2010, en heeft dan ook geen gevolgen voor het bestreden besluit. De rechtbank acht afdoende gemotiveerd door het Uwv dat de aan appellant voorgehouden functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant.
In hoger beroep heeft appellant de in eerste aanleg aangevoerde gronden herhaald. Hij is van mening dat de beperkingen aan zijn rechterelleboog zijn onderschat vanwege ernstige pijnklachten bij belasting. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij verwezen naar de in het dossier aanwezige stukken van orthopedisch chirurgen Brandt en Eygendaal en revalidatiearts Schreibers. Verder vindt hij dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn klachten die voortkomen uit een whiplash en de ziekte van Raynaud. Hij heeft in hoger beroep nog stukken ingediend van Eygendaal, revalidatiecentrum Tolbrug, orthopedisch chirurgen Brandt en Van der List, revalidatiearts Van Leeuwen en de arts Kwee.
De Raad overweegt het volgende.
De rechtbank heeft op juiste wijze de door appellant in eerste aanleg aangevoerde medische gronden beoordeeld en met juistheid aangegeven waarom deze gronden niet slagen. Met name is van belang dat de bezwaarverzekeringsarts op 29 september 2010 deel heeft genomen aan de hoorzitting en aansluitend aan de hoorzitting lichamelijk onderzoek heeft verricht. Op basis van de gegevens verkregen bij de hoorzitting, het aansluitende spreekuurcontact met appellant, het door haar verrichte lichamelijk onderzoek en de vele door appellant ingediende stukken van orthopedisch chirurgen en een revalidatiearts heeft de bezwaarverzekeringsarts uitgebreid gerapporteerd bij rapportage van 17 november 2010. Zij heeft op inzichtelijke wijze gemotiveerd met welke beperkingen voor arbeid rekening moet worden gehouden. Deze beperkingen zijn vastgelegd in de FML van 17 november 2010, waarbij ten opzichte van de door de primaire verzekeringsarts vastgestelde FML aanvullende beperkingen zijn opgenomen ten aanzien van boven schouder actief zijn en ten aanzien van de werktijden. Appellant kan ongeveer 30 tot en met 35 uur per week werken waarbij hij gedurende 5 uur per week, verdeeld over 2 dagen, niet beschikbaar is in verband met revalidatiebehandeling. De door appellant in hoger beroep ingebrachte stukken geven geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling en de aangepaste FML. De stukken van Brandt, Van der List, Van Leeuwen en Kwee waren al bekend en meegewogen door de bezwaarverzekeringsarts. De informatie van Eygendaal van 13 januari 2013, van revalidatiecentrum Tolbrug van 10 december 2010 en van ziekenhuis Bernhoven van 4 september 2008 en 15 september 2008 bevat geen nieuwe medische informatie en geeft om die reden geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling. Er is geen aanleiding om het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts op dit punt, zoals neergelegd in zijn rapportage van 3 maart 2013, niet te volgen.
De bezwaararbeidsdeskundige is ervan uitgegaan dat appellant ongeschikt is voor de maatgevende arbeid van zelfstandig steenzager en heeft de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op basis van de functies van medewerker verkoop binnendienst (SBC-code 317012), medewerker dataverwerking (SBC-code 315090) en verkoper brood (SBC-code 317014). De werkzaamheden in deze functies vergen weinig belasting van de rechterarm. Door de bezwaararbeidsdeskundige is afdoende toegelicht dat de belasting in deze functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt.
Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet.
Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) noch voor een veroordeling tot vergoeding van door appellant geleden schade op grond van artikel 8:73 van de Awb.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en E.J. Govaers en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2013.
(getekend) J.W. Schuttel
(getekend) K.E. Haan