ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4075

ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4075, Centrale Raad van Beroep, 22-02-2013, 12-1870 WSF

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 22-02-2013
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 12-1870 WSF
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 2 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0011453

Samenvatting

Betrokkene is tot en met 5 december 2008 in het bezit geweest van een OV-studentenkaart. De rechtbank heeft met een te ruime interpretatie van artikel 3.27, eerste lid, van de Wsf 2000 geconcludeerd dat met de deactivering van het reisrecht op die datum sprake is van een tijdige beëindiging van het reisrecht en dat moet worden aangenomen dat, gelet op de omstandigheid dat betrokkene vanaf september 2008 een zogenaamde nullening had, betrokkene met ingang van 1 december 2008 heeft afgezien van zijn aanspraak op studiefinanciering. Onderscheid dient te worden gemaakt tussen beëindiging van het recht op studiefinanciering en het tijdig inleveren van het reisrecht. Als betrokkene voor 1 december 2008 zijn studiefinanciering had beëindigd, dan zou hij tijdig zijn reisrecht hebben ingeleverd en dan zou appellant voor de berekening van het toetsingsinkomen in aanmerking hebben genomen het inkomen van betrokkene in de periode van januari tot en met november 2008. Er is sprake van een consistente beleidstoepassing. Appellant heeft terecht als toetsingsinkomen in aanmerking genomen het door betrokkene verworven inkomen in het studiefinancieringstijdvak van januari tot en met december 2008. Vernietiging uitspraak. Beroep ongegrond.

Uitspraak

12/1870 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 maart 2012, 11/1593 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 22 februari 2013

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2013. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber. Betrokkene is verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. De hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, per 1 januari 2010 in rechte opgevolgd door appellant, heeft betrokkene over de periode van januari tot en met april 2008 ingevolge de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) studiefinanciering toegekend in de vorm van een basisprestatiebeurs en een OV-studentenkaart. Met ingang van mei 2008 bestond alleen recht op een lening, omdat het recht op prestatiebeurs op die datum was verbruikt. Over de maand augustus 2008 bestond geen recht op studiefinanciering en per september 2008 is op aanvraag een nullening en OV-studentenkaart toegekend. Betrokkene is op 28 november 2008 afgestudeerd en heeft op 5 december 2008 zijn OV-studentenkaart ingeleverd.

1.2. Bij besluit van 26 mei 2011 (bestreden besluit) heeft appellant gehandhaafd zijn besluit van 16 april 2011, waarbij aan betrokkene een vordering is opgelegd wegens te veel bijverdiensten in het studiefinancieringstijdvak (januari tot en met december) 2008, bestaande uit een bedrag aan meerinkomsten van € 1.022,56 en een bedrag van € 859,76 wegens het onterechte bezit van een OV-studentenkaart.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank onder meer het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het besluit van 16 april 2011 herroepen en bepaald dat betrokkene aan appellant € 1.064,87 is verschuldigd, bestaande uit een vordering wegens meerinkomen van € 205,11 en een vordering van € 859,76 wegens reisvoorziening. Daarbij is de rechtbank voor de berekening van het toetsingsinkomen uitgegaan van een inkomenstijdvak dat loopt van januari tot en met november 2008. Door inlevering van zijn OV-studentenkaart op 5 december 2008 heeft betrokkene zijn reisrecht tijdig per 1 december 2008 beëindigd en omdat een aparte beëindiging van een nullening niet in de rede ligt moet volgens de rechtbank worden aangenomen dat betrokkene met het tijdig deactiveren van het reisrecht met ingang van december 2008 tevens heeft afgezien van zijn aanspraak op studiefinanciering. Rekening houdend met een belastbaar loon van betrokkene over de periode van januari tot en met november 2008 van € 13.121,28 en een bijdragevrije voet van € 12.916,17 bedraagt het meerinkomen € 205,11. Betrokkene moet vanwege het beschikken over een reisrecht over diezelfde periode een bedrag van € 859,76 terugbetalen.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat betrokkene niet pas in december 2008, maar al in november 2008 de bijverdiengrens heeft overschreden. Als betrokkene uiterlijk op de vijfde werkdag van de maand november 2008 de OV-studentenkaart had ingeleverd, dan zouden overeenkomstig het door appellant gevoerde beleid de maanden november en december 2008 niet tot het studiefinancieringstijdvak zijn gerekend. Voor het geval deze beroepsgrond niet zou slagen, heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de berekening van de rechtbank niet juist is. Uitgaande van een berekening van het toetsingsinkomen over de periode van januari tot en met november 2008 dient de vordering te worden vastgesteld op een bedrag van € 1.231,95, bestaande uit een meerinkomen van € 450,35 en een vordering vanwege het beschikken over een reisrecht van € 781,60.

3.2. In reactie op de mededeling van betrokkene, dat hij akkoord gaat met vaststelling van de vordering op een bedrag van € 1.231,95, heeft appellant nogmaals naar voren gebracht dat in de eerste plaats nog steeds het standpunt wordt ingenomen dat de redenering van de rechtbank niet juist is en dat de vordering wegens meerinkomen € 1.882,32 bedraagt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 3.17, vijfde lid, van de Wsf 2000 blijft verworven inkomen over een periode aan het begin of het einde van het kalenderjaar buiten beschouwing voor de berekening van het toetsingsinkomen als de studerende in die periode zonder onderbreking geen studerende was in de zin van de Wsf 2000 of indien de studerende in die periode heeft afgezien van zijn aanspraak op studiefinanciering.

4.2. Uit de door appellant in geding gebrachte informatie uit het Centraal Register Inschrijvingen Hoger Onderwijs blijkt dat betrokkene zich niet voortijdig heeft uitgeschreven gedurende het studiejaar 2008-2009. Dat betekent dat hij eerst per 1 september 2009 is uitgeschreven en dat hij het gehele jaar 2008 studerende was in de zin van de Wsf 2000.

4.3. Betrokkene is tot en met 5 december 2008 in het bezit geweest van een OV-studentenkaart. De rechtbank heeft met een te ruime interpretatie van artikel 3.27, eerste lid, van de Wsf 2000 geconcludeerd dat met de deactivering van het reisrecht op die datum sprake is van een tijdige beëindiging van het reisrecht en dat moet worden aangenomen dat, gelet op de omstandigheid dat betrokkene vanaf september 2008 een zogenaamde nullening had, betrokkene met ingang van 1 december 2008 heeft afgezien van zijn aanspraak op studiefinanciering. Onderscheid dient te worden gemaakt tussen beëindiging van het recht op studiefinanciering en het tijdig inleveren van het reisrecht. Als betrokkene voor 1 december 2008 zijn studiefinanciering had beëindigd, dan zou hij tijdig zijn reisrecht hebben ingeleverd en dan zou appellant voor de berekening van het toetsingsinkomen in aanmerking hebben genomen het inkomen van betrokkene in de periode van januari tot en met november 2008.

4.4. Het hoger beroep van appellant slaagt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, staat thans nog ter beoordeling de vraag of appellant op consistente wijze toepassing heeft gegeven aan het door hem in afwijking van artikel 3.17, vijfde lid, van de Wsf 2000 gevoerde buitenwettelijk begunstigend beleid. Dit beleid bestaat eruit dat appellant de maand waarover een nullening is toegekend en waarin de bijverdiengrens voor het eerst is overschreden niet als deel van het studiefinancieringstijdvak aanmerkt indien de OV-studentkaart in deze maand uiterlijk op de vijfde dag is ingeleverd. Het standpunt van appellant dat betrokkene reeds in de maand november 2008 de bijverdiengrens heeft overschreden vindt voldoende steun in de gedingstukken en is door betrokkene niet expliciet bestreden. Er is sprake van een consistente beleidstoepassing.

4.5. Appellant heeft terecht als toetsingsinkomen in aanmerking genomen het door betrokkene verworven inkomen in het studiefinancieringstijdvak van januari tot en met december 2008. Het beroep van betrokkene moet ongegrond worden verklaard.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en M.C. Bruning en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2013.

(getekend) T. Hoogenboom

(getekend) K.E. Haan

KR

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl RSV 2013/127
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?