11/4974 ZW, 11/4975 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 14 juli 2011, 10/170 en 10/263 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de gemeente Midden-Drenthe te Beilen (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 15 maart 2013.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft H.C. Mertens, als juridisch adviseur werkzaam bij Juridisch Adviesbureau Kragten & Partner, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 december 2012. Namens appellante zijn [M] en drs. C. Krolis-Hollander verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.H.M.A. Swarts.
OVERWEGINGEN
1.1. [Naam werkneemster] (werkneemster) was bij appellante in dienst als sociaal dienstverlener. Met ingang van 1 juli 2008 is een eerder aan werkneemster opgelegd voorwaardelijk strafontslag ten uitvoer gelegd, waarmee een einde is gekomen aan haar dienstverband.
1.2. Bij besluit van 14 juli 2008 heeft het Uwv - ter vervanging van een eerder besluit - aan werkneemster met ingang van 1 juli 2008 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend. Bij besluit van 2 maart 2010 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 14 juli 2008 niet-ontvankelijk verklaard.
1.3. Bij besluit van 22 februari 2010 heeft het Uwv de ZW-uitkering van werkneemster beëindigd per 11 februari 2010, in verband met het bereiken van de - samengestelde in verband met eerder ziekteperioden - maximale uitkeringstermijn. Bij besluit van 18 maart 2010 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen dit besluit niet-ontvankelijk verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellante geen direct financieel belang heeft bij de toekenning van een ZW-uitkering aan werkneemster, nu zij geen eigen risicodrager is in de zin van de ZW, de aan werkneemster betaalde uitkering niet bij appellante wordt gedeclareerd en de uitkering geen gevolg heeft voor de door haar af te dragen premies. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat het belang van appellante niet rechtstreeks bij de besluiten tot toekenning en beëindiging van ziekengeld aan werkneemster is betrokken en appellante daarom niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij wel belanghebbende is in de zin van artikel 1:2 van de Awb. Zij heeft er daartoe op gewezen dat de werkgever volgens vaste rechtspraak van de Raad als categoraal belanghebbende bij een besluit omtrent de aanspraken van zijn werknemer op uitkering moet worden aangemerkt. Voorts heeft zij aangevoerd een processueel belang te hebben. Dit processuele belang is volgens haar gelegen in de relatie tussen het toekennen van een ZW-uitkering over een bepaalde periode en het (aansluitend) toekennen van een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Deze uitkering ingevolge de Wet WIA heeft gevolgen voor de premie die appellante moet betalen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB, 24 september 2002, LJN AE 8200) moet de werkgever die bezwaar maakt dan wel beroep instelt tegen een besluit met betrekking tot de aanspraken van één van zijn werknemers op een uitkering ingevolge de ZW, als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb worden aangemerkt. In voornoemde uitspraak heeft de Raad zijn oordeel gebaseerd op de relatie tussen de ZW en een aantal bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek (BW), met name de loondoorbetalingsverplichting van artikel 7:629 BW. Nu het ambtenarenrecht in grote lijnen vergelijkbare, zij het voor iedere overheidssector op onderdelen verschillende, bepalingen kent ziet de raad geen aanleiding hier tot een ander oordeel te komen. De hoedanigheid van belanghebbende is daarbij, zoals de Raad eerder ten aanzien van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft overwogen (CRvB 17 februari 2004, LJN AO9254), niet afhankelijk van de aard van het bestreden besluit, bijvoorbeeld een toekennings-, herzienings-, intrekkings-, of weigeringsbesluit. Evenmin is die hoedanigheid afhankelijk van hetgeen de werkgever als zijn belang aanvoert. Er dient derhalve te worden uitgegaan van een zogenoemd categoraal belanghebbendebegrip. Dit neemt echter niet weg dat de werkgever bij een procedure tegen besluiten, als hiervoor genoemd, ook een processueel belang dient te hebben. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB, 20 juli 2001, LJN AB2860), is daarvan sprake als de werkgever met het ingestelde bezwaar of beroep eventueel het door hem gewenste resultaat kan bereiken en aan dat resultaat voor hem feitelijke betekenis niet kan worden ontzegd.
4.2. Gelet op hetgeen onder 4.1 is overwogen dient appellante, anders dan door de rechtbank geoordeeld, als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb te worden aangemerkt. Dit betekent dat daarnaast de vraag dient te worden beantwoord of appellante een processueel belang heeft als onder 4.1 omschreven. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend. Het resultaat dat appellante beoogt ligt, zoals ter zitting ter sprake is gekomen, in de sfeer van de Wet WIA. Anders dan appellante kennelijk veronderstelt bestaat geen direct verband tussen het toekennen van een ZW-uitkering over een bepaalde periode en het (aansluitend) toekennen van een WIA-uitkering. Weliswaar is het zo dat perioden waarin recht bestaat op ziekengeld als bedoeld in de ZW meetellen voor de wachttijd ingevolge de Wet WIA, maar de wachttijd kan ook anderszins worden vervuld, namelijk als de verzekerde wel ongeschikt is geweest voor zijn arbeid, maar geen ziekengeld heeft ontvangen. Bovendien betekent het vervullen van de wachttijd niet automatisch dat de verzekerde in aanmerking komt voor een WIA-uitkering. Om in aanmerking te komen voor een WIA-uitkering moet de verzekerde ook arbeidsongeschikt zijn en mag op hem geen uitsluitingsgrond van toepassing zijn. De beoordeling van het recht op een WIA-uitkering resulteert dan ook in een eigenstandig besluit waartegen door de belanghebbende - daaronder begrepen de werkgever, die ook hier categoraal belanghebbende is - rechtsmiddelen kunnen worden aangewend.
4.3. Uit hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen volgt dat het Uwv het bezwaar van appellante tegen de bestreden besluiten 1 en 2 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank is, zij het op andere gronden, tot hetzelfde oordeel gekomen. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, met verbetering van de gronden waarop deze rust.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en E.J. Govaers en A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2013.
(getekend) C.W.J. Schoor
(getekend) K.E. Haan
NW