12/1209 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 6 juli 2011, 09/3308 WW
Partijen:
[A. te B.] (verzoekster)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 15 maart 2013.
PROCESVERLOOP
Verzoekster heeft verzocht om herziening van de hiervoor genoemde uitspraak van de Raad.
Het Uwv heeft hierop gereageerd.
Verzoekster heeft nadere stukken ingebracht.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2013. Verzoekster is verschenen. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
OVERWEGINGEN
1. In de uitspraak waarvan herziening is verzocht, is de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 mei 2009, 08/2416 en 08/2117, bevestigd en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De rechtbank had het beroep tegen het besluit van 8 mei 2008 ongegrond verklaard. Bij dat besluit heeft het Uwv de bezwaren van verzoekster gericht tegen het besluit van 21 februari 2008 gegrond verklaard. Bij het laatstgenoemde besluit is aan verzoekster met ingang van 19 september 2006 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend, die in de periode van 19 september 2006 tot en met 17 juli 2007 niet tot uitbetaling is gekomen omdat deze periode meer dan 26 weken voor de dag ligt waarop de aanvraag is ingediend. Voorts is een maatregel opgelegd, bestaande uit een verlaging van de WW-uitkering met 20% over de periode van 18 juli 2007 tot en met 15 januari 2008, omdat verzoekster zich niet uiterlijk op 20 februari 2007 bij het Uwv heeft gemeld met de mededeling dat zij werkloos was geworden. Naar aanleiding van het bezwaar tegen het besluit van 21 februari 2008 heeft het Uwv de periode waarvoor de maatregel geldt, ingekort tot en met 10 januari 2008, omdat verzoekster zich op 11 januari 2008 als werkloze bij het Uwv heeft gemeld.
2. Verzoekster heeft uiteengezet dat het rapport van psychiater J. Rübsaam van 10 juni 2010, dat is opgesteld op verzoek van de rechtbank Amsterdam in het kader van een andere (beroeps)procedure tussen verzoekster en het Uwv, heeft geleid tot de toekenning van een IVA-uitkering per 8 november 2007. Rübsaam heeft zich ook uitgelaten over de datum waarop de WW-uitkering is toegekend, te weten 19 september 2006. De gezondheidstoestand van verzoekster verschilt op die dag niet van de situatie op 8 november 2007, zo luidt het oordeel van Rübsaam. Hieruit volgt volgens verzoekster dat het Uwv op onjuiste wijze haar mate van arbeidsongeschiktheid per 19 september 2006 heeft beoordeeld, waardoor niet met zekerheid gezegd kan worden dat zij per die datum als werkloze aangemerkt kan worden. In dat geval kan haar niet worden verweten dat zij geen tijdige aanvraag heeft gedaan voor een WW-uitkering en is in verband daarmee ten onrechte een maatregel opgelegd.
3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
3.1. Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 21 van de Beroepswet kan een onherroepelijk geworden uitspraak van de Raad, op verzoek van een partij, worden herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Raad bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
3.2. Het rapport van Rübsaam is van 10 juni 2010 en is door verzoekster ingebracht in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak waarvan thans herziening is verzocht. In overweging 4.8 van die uitspraak wordt ook melding gemaakt van het rapport van Rübsaam. Hiermee is niet voldaan aan de voorwaarde dat de nieuwe feiten of omstandigheden bij de indiener van het verzoekschrift voor de uitspraak niet bekend waren.
3.3. Gelet op de overwegingen in 3.1 en 3.2 dient het verzoek om herziening te worden afgewezen.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en E.J. Govaers en K. Wentholt als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2013.
(getekend) M.C. Bruning
(getekend) K.E. Haan
GdJ