09/3261 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 6 mei 2009, 08/5726 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A te B] (appellant)
het bestuur van de Stichting Stedelijk Voortgezet Onderwijs te Rotterdam (bestuur)
Datum uitspraak: 21 maart 2013
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is op 28 april 2011 in een comparitiezitting behandeld door een enkelvoudige kamer. Appellant is verschenen, bijgestaan door [H]. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Ideler-Ouwens, M. Mooten en M.P.W. Bal.
Na de comparitiezitting heeft de enkelvoudige kamer de zaak verwezen naar een meervoudige kamer. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door [H]. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Ideler-Ouwens en mr. H.J. Brouwer.
OVERWEGINGEN
1. Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Stb. 2012, 682) in werking getreden. Met deze wet zijn wijzigingen in onder meer de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Beroepswet aangebracht. Op grond van het overgangsrecht blijft op deze zaak het recht van toepassing, zoals dat gold vóór 1 januari 2013.
1.1. Bij brief van 8 februari 2008 heeft appellant het bestuur verzocht alle gegevens die niet in zijn dossier thuishoren te verwijderen, alle medische stukken die in het bezit zijn van de gemachtigde van het bestuur in te trekken en alle ontbrekende stukken uit het dossier aan hem toe te sturen. Bij besluit van 25 februari 2008, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 5 juni 2008 (bestreden besluit), heeft het bestuur deze verzoeken afgewezen.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad overweegt het volgende.
4.1. Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet kan een belanghebbende bij de Centrale Raad van Beroep hoger beroep instellen tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Awb inzake, voor zover hier van belang, a) een besluit of handeling van een bestuursorgaan waarbij een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet als zodanig belanghebbende is, en b) een besluit, genomen op grond van een wettelijk voorschrift dat is opgenomen in de bijlage die bij de Beroepswet behoort.
4.2. Appellant heeft zijn verzoeken aan het bestuur nadrukkelijk gebaseerd op de Wet bescherming persoonsgegevens. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het bestreden besluit dan ook aan de bepalingen van deze wet getoetst. Genoemde wet is niet opgenomen in de bijlage bij de Beroepswet.
4.3. Dat het bestuur beschikt over persoonsgegevens van appellant is weliswaar het gevolg van het voormalige, overigens al geruime tijd geleden geëindigde, ambtenaarschap van appellant in dienst van het bestuur, maar niet kan worden gezegd dat het bestreden besluit appellant rechtstreeks in de bedoelde hoedanigheid van gewezen ambtenaar treft. Ter zitting van 7 februari 2013 heeft appellant ook bevestigd dat zijn verzoeken los staan van deze hoedanigheid.
4.4. Het overwogene onder 4.2 en 4.3 brengt de Raad tot de conclusie dat het bestreden besluit noch onder artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a, noch onder artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Beroepswet valt te scharen. Dit betekent dat niet de Centrale Raad van Beroep, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevoegd is om van het hoger beroep van appellant kennis te nemen. De Raad zal zich onbevoegd verklaren en de gedingstukken naar de Afdeling bestuursrechtspraak doorzenden.
5. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de Raad niet gebleken.
6. De omstandigheid dat de rechtbank een onjuiste rechtsmiddelclausule heeft vermeld, geeft aanleiding om te bepalen dat de griffier het griffierecht aan appellant terugbetaalt.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- verklaart zich onbevoegd van het hoger beroep kennis te nemen;
- bepaalt dat het hoger beroepschrift, met daarbij behorende stukken, wordt doorgezonden
naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State;
- bepaalt dat de griffier het in hoger beroep bij de Raad betaalde griffierecht van € 223,- aan
appellant terugbetaalt.
Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en B.J. van de Griend en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2013.
(getekend) K.J. Kraan
(getekend) S.K. Dekker