11/5038 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van
28 juli 2011, 10/1209 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 3 mei 2013.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. G.A.S. Maduro, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Voor het Uwv is verschenen mr. A.I. Damsma.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellante ontving van 4 juni 2008 tot 4 augustus 2010 een loongerelateerde uitkering (LGU) ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%.
1.2. Bij besluit van 25 juni 2010 heeft het Uwv de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid per 11 juni 2010 vastgesteld op 46,64%.
1.3. Bij besluit van 25 november 2010 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 25 juni 2010 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Ten tijde van het hoger beroep is bij besluit van 25 februari 2013 bepaald dat appellante per 1 maart 2012 voor 100% arbeidsongeschikt wordt geacht. Haar loonaanvullingsuitkering (LAU), die zij vanaf 4 augustus 2010 in aansluiting op de LGU ontving, verandert hierdoor niet.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. Ambtshalve dient te worden onderzocht of appellante procesbelang heeft. Er is voldoende procesbelang bij een inhoudelijke behandeling van de in geding zijnde uitspraak als het resultaat dat appellante nastreeft daadwerkelijk kan worden bereikt en met het realiseren van dat resultaat voor haar feitelijke betekenis kan hebben. Voor de hoogte van de LGU maakt het niet uit of het verlies aan verdienvermogen meer of minder dan 80% bedraagt.
4.3. In de uitspraak van 15 februari 2013 (LJN BZ1485) heeft de Raad geoordeeld dat bij de vraag of procesbelang aanwezig is moet worden betrokken het gevolg dat het hebben van een verdienvermogen van minder dan 20% heeft voor de soort en de hoogte van de WGA-uitkering na afloop van de LGU. Als een betrokkene tijdens het ontvangen van een LGU ten minste twee maanden een verdienvermogen van minder dan 20% heeft, geldt voor die betrokkene geen inkomenseis. De inkomenseis gaat op grond van artikel 60, derde lid, van de Wet WIA pas gelden 24 maanden nadat betrokkene weer een verdienvermogen van meer dan 20% heeft. Procesbelang kan vervallen zijn als op een later moment in de hiervoor genoemde periode van 24 maanden tijdens het ontvangen van een LAU de arbeidsongeschiktheid ten minste twee maanden meer dan 80% bedraagt.
4.4. Van een dergelijke situatie is hier sprake. Voor appellante gold geen inkomenseis tot 11 juni 2010 en, gelet op artikel 60, derde lid van de Wet Wia, gedurende 24 maanden daarna. Bij besluit van 25 februari 2013 is appellante per 1 maart 2012, dus binnen 24 maanden na de herbeoordeling per 11 juni 2010, wederom 100% arbeidsongeschikt geworden. Dit betekent dat voor haar ingevolge artikel 60, derde lid, van de Wet WIA geen inkomenseis geldt zodat appellante haar procesbelang heeft verloren.
5. Uit hetgeen is overwogen in 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is zodat aan een inhoudelijk oordeel van het geschil niet toegekomen kan worden.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en J.S. van der Kolk en K. Wentholt als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2013.
(getekend) T. Hoogenboom
(getekend) J.R. Baas
JvC