OVERWEGINGEN
1.1. Op 11 mei 2009 is [naam betrokkene] (betrokkene) overleden.
1.2. Bij besluit gedateerd 6 januari 2010 heeft Menzis de eindafrekening van het persoonsgebonden budget (pgb) over de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 mei 2009 van betrokkene vastgesteld en een bedrag van € 28.188,35 teruggevorderd.
1.3. Bij brief van 7 september 2011, door Menzis ontvangen op 20 september 2011, hebben de erven bezwaar gemaakt tegen het besluit van 6 januari 2010. Daarbij hebben zij onder meer diverse stukken ter verantwoording van het pgb overgelegd. In de brief van 7 september 2011 is voorts gesteld dat de erven eerst door tussenkomst van de deurwaarder, ergens in de periode tussen maart en augustus 2011, bekend is geworden met het bestaan van een terugvordering.
1.4. Bij besluit van 23 januari 2012 (bestreden besluit) heeft Menzis het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Het besluit van 6 januari 2010 is verzonden naar het laatst bekende adres van betrokkene, te weten [adres] te [plaatsnaam]. Het bezwaarschrift is niet tijdig is ingediend en er zijn geen omstandigheden die ertoe leiden dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.
Bij de aangevallen uitspraak is het beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep hebben appellanten onder meer gesteld dat het besluit van 6 januari 2010 niet is ontvangen, ook niet op het adres [adres] te [plaatsnaam] en dat Menzis niet aannemelijk heeft gemaakt dat dat besluit is verzonden.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen. Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.
Indien de geadresseerde stelt dat hij een niet aangetekend verzonden besluit niet heeft ontvangen, is het in beginsel aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het besluit wel op het adres van de geadresseerde is ontvangen. Het niet aangetekend verzonden besluit van 6 januari 2010 is voorzien van de juiste adressering, te weten het laatst bij Menzis bekende adres [adres] te [plaatsnaam], maar Menzis heeft niet aan de hand van een deugdelijke verzendadministratie aannemelijk gemaakt dat dat besluit daadwerkelijk is verzonden. Uit de door Menzis overgelegde printscreen blijkt weliswaar dat het besluit van
6 januari 2010 als batch in het systeem is aangemaakt, maar niet dat de brief, nadat die is aangemaakt, ook geprint en verzonden is. Ook uit de door Menzis overgelegde telefoonnotities van 4 mei 2009 en september 2009 en uit emailverkeer tussen appellanten onderling in september 2009 blijkt niet dat het besluit van 6 januari 2010 verzonden is.
Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 en 4.2 volgt dat niet kan worden aangenomen dat de termijn voor het maken van bezwaar een dag na 6 januari 2010 is aangevangen. Nu niet kan worden vastgesteld wanneer het besluit gedateerd 6 januari 2010 is verzonden is het bezwaar tegen dit besluit tijdig ingediend. Menzis heeft het bezwaar tegen het bestreden besluit ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
Er is aanleiding om Menzis met toepassing van artikel 8:51d, eerste lid, van de Awb, op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Menzis dient hiertoe een inhoudelijk besluit te nemen op het bezwaar van appellanten.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep draagt Menzis op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 23 januari 2012 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2014.
(getekend) J. Brand
(getekend) R.L. Rijnen