ECLI:NL:CRVB:2014:1279

ECLI:NL:CRVB:2014:1279, Centrale Raad van Beroep, 16-04-2014, 13-803 WAO

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 16-04-2014
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 13-803 WAO
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 4 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001888 BWBR0002524

Samenvatting

Hoogte dagloon.

Uitspraak

OVERWEGINGEN

Appellant is bij besluit van 27 februari 2009 met ingang van 1 mei 2008 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van

15 juli 2011 heeft het Uwv het loondervingsdagloon van de WAO-uitkering vastgesteld op

€ 117,01 en het vervolgdagloon op € 86,58.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 15 juli 2011. Bij besluit van 24 oktober 2011 heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 24 oktober 2011.

Hangende het beroep heeft het Uwv op 19 maart 2012 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (bestreden besluit). Het Uwv heeft daarbij het loondervingsdagloon verhoogd tot € 127,86. Appellant heeft de juistheid van dat dagloon aangevochten.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank zag geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de hoogte van het nader berekend dagloon onjuist was.

De gronden van appellant in hoger beroep komen er op neer dat het Uwv bij de berekening van het dagloon uitgaat van onjuiste gegevens terwijl het Uwv daarnaast volgens appellant een verkeerde toepassing aan de wet heeft gegeven. Appellant heeft daarbij verwezen naar diverse besluiten, betalingen, betaalspecificaties en opgaven aan de belastingdienst van en door het Uwv.

Het Uwv heeft in zijn verweer benadrukt dat het gaat om de vaststelling van het dagloon van de WAO-uitkering van appellant per 1 mei 2008. Het Uwv heeft voor de uitleg bij de berekening daarvan volstaan te verwijzen naar de brief van het Uwv die op 4 juli 2012 aan de rechtbank is gezonden.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Appellant was laatstelijk werkzaam als trambestuurder. Het nominale bruto salaris in die functie was € 2.551,- bruto per maand, exclusief vakantietoeslag. Nadat appellant eerder door ziekte voor zijn werkzaamheden was uitgevallen, is hij niet in aanmerking gebracht voor een WAO-uitkering. Appellant heeft zijn werkzaamheden als trambestuurder hervat. In die werkzaamheden heeft hij vervolgens niet de volle loonwaarde gerealiseerd. Uit de opgaven van de werkzaamheden door de werkgever aan het Uwv blijkt dat appellant in de relevante periode voorafgaand aan het einde van zijn dienstverband ongeveer 80% per maand van het overeengekomen maandsalaris verdiende. Dat die opgaven van de werkgever zouden zijn gemanipuleerd door het Uwv, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt.

Het dienstverband van appellant met zijn werkgever is door een ontbindingsbeschikking van de kantonrechter beëindigd per 1 juni 2006. Appellant heeft, als werkloze, een uitkering ontvangen op grond van de Ziektewet (ZW), welke uitkering was gebaseerd op zijn nominale salaris als trambestuurder, dus € 2.551,-, zijnde een dagloon van € 127,86 per dag.

Voor de bepaling van de hoogte van het dagloon is het Uwv aanvankelijk uitgegaan van artikel 14, van de WAO in welk artikel als uitgangspunt is neergelegd dat de grondslag van de uitkering wordt bepaald door wat een werknemer werkelijk heeft verdiend in de periode voorafgaand aan zijn uitval door ziekte voor zijn werkzaamheden. Het Uwv heeft dat standpunt, hangende het beroep verlaten, en de uitkering gebaseerd op het nominale maandsalaris van trambestuurder, net zoals het Uwv dat had gedaan voor zijn ZW-uitkering. Zoals hiervoor is weergegeven, heeft appellant in de zogenoemde referteperiode dat bedrag nooit verdiend, maar bedroegen zijn inkomsten ongeveer 80% van dat bedrag. Door niettemin toch uit te gaan van het volledige maandsalaris van € 2.551,- is appellant dus niet tekort gedaan.

Uit de berekening die door het Uwv is ingebracht bij de rechtbank blijkt dat Uwv het maandsalaris van mei 2006 heeft verhoogd met een persoonlijke toeslag en een vakantietoeslag. Dat leidde tot een dagloon van € 119,93, welk dagloon na indexering, per 1 mei 2008 € 127,86 bedroeg. Dat de gevolgde berekening onjuist is, heeft appellant niet aangetoond.

Ingevolge artikel 21b, tweede lid, van de WAO is het vervolgdagloon gelijk aan het minimumloon verhoogd met een percentage van het verschil tussen het dagloon en het minimumloon. Zoals het Uwv in de brief van 4 juli 2012 heeft gesteld, dient bij de hantering van het minimumloon voor de bepaling van het vervolgdagloon de verhoging met de vakantietoeslag betrokken te worden. De vergelijking zou anders immers een onzuivere zijn. Uit de gehanteerde tabel op bladzijde drie van die brief blijkt verder dat het Uwv het vervolgdagloon heeft berekend overeenkomstig artikel 21, tweede lid, van de WAO. Dat die berekening onjuist is, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt.

Zoals ook ter zitting aan appellant is voorgehouden, beperkt het geschil zich tot het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit en dus tot de vraag of de berekening van het dagloon voor de WAO-uitkering van appellant per 1 mei 2008 juist is. Andere vragen of onderwerpen zijn niet aan de orde. Dat betekent dat de diverse onderwerpen die appellant heeft aangedragen, zoals de gestelde fouten van het Uwv, de onjuiste opgaven voor de belastingdienst en het strafwaardig handelen van medewerkers van het Uwv niet behandeld kunnen worden. De daartoe strekkende verzoeken van appellant worden daarom afgewezen evenals het verzoek om het onderzoek te heropenen.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal, voor zover aangevochten, worden bevestigd. Er is geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening, zoals door appellant ter zitting verzocht.

Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2014.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) P. Boer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?