OVERWEGINGEN
De Raad heeft vastgesteld dat ten onrechte is bepaald dat het college wordt veroordeeld in de proceskosten van appellante in beroep ten bedrage van € 974,-, in plaats van ten bedrage van € 487,-.
De Raad heeft vastgesteld dat in de berekening van de proceskosten in de zaak 13/520 AW ten onrechte de door appellante gemaakte reiskosten ten behoeve van het bijwonen van de zitting in hoger beroep ten bedrage van € 27,80 niet zijn meegenomen.
De Raad zal de onder 1 tot en met 2 vermelde vergissingen herstellen door de uitspraak van 6 februari 2014 in de hiervoor vermelde zin te rectificeren. De Raad maakt van de gelegenheid gebruik door de kennelijke verschrijving “13/250 AW” in overweging 5 te vervangen door: “13/520 AW”.
Aan deze uitspraak tot rectificatie is een gerectificeerd exemplaar van de oorspronkelijke uitspraak gehecht. De gerectificeerde uitspraak zal worden gepubliceerd op rechtspraak.nl.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep rectificeert zijn uitspraak van 6 februari 2014, 12/97 AW, 12/2031 AW, 13/520 AW, als volgt.
Overweging 5 wordt gewijzigd in: “In het vorenstaande wordt aanleiding gevonden om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante in de zaak onder nummer 13/520 AW. Deze kosten worden begroot op € 487,- in bezwaar, € 487,- in beroep en € 974,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand en € 27,80 aan reiskosten in hoger beroep, in totaal € 1.975,80.”
De laatste bepaling van het dictum wordt gewijzigd in: “veroordeelt het college in de zaak 13/520 AW in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.975,80,-.”
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2014.
(getekend) C.H. Bangma
(getekend) P. Uijtdewillegen