OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant ontvangt sinds 1991 bijstand, laatstelijk ingevolgde de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Hij staat in de gemeentelijke basisadministratie voor persoonsgegevens (GBA) vanaf 13 mei 2003 ingeschreven op het adres [adres] te [woonplaats]. Appellante staat per 2 juli 2007 ook op dit adres in de GBA ingeschreven.
Op 24 februari 2009 heeft in het kader van een themacontrole een onderzoek plaatsgevonden naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. Uit de in dat kader van dat onderzoek door appellant overgelegde bankafschriften bleek dat hij in het geheel geen uitgaven deed voor levensonderhoud. Voorts bleek appellante twee auto’s op naam te hebben. Deze gegevens en een anonieme tip dat appellanten zouden samenwonen, waren voor het college aanleiding de sociale recherche van de gemeente Veenendaal onderzoek te laten doen naar een mogelijk verzwegen gezamenlijke huishouding. In het kader hiervan is onder meer dossieronderzoek verricht, heeft een huisbezoek plaatsgevonden en zijn appellanten verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 30 september 2010.
De onderzoeksbevindingen zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van
7 oktober 2010 (besluit 1) de bijstand van appellant per die datum te beëindigen, de bijstand in te trekken over de periode van 1 juli 2007 tot en met 6 oktober 2010 en de kosten van bijstand over deze periode tot bedragen van € 29.226,80 bruto en € 6.396,17 netto van appellant terug te vorderen. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat hij een gezamenlijke huishouding voerde met appellante. Hij had als gevolg daarvan geen recht op bijstand. Bij besluit van eveneens 7 oktober 2010 (besluit 2) heeft het college de genoemde bedragen mede van appellante teruggevorderd.
Bij afzonderlijke besluiten van 17 februari 2011 (bestreden besluiten) heeft het college de bezwaren tegen besluit 1 respectievelijk besluit 2 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.
Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
De Raad oordeelt als volgt.
Op grond van artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
Niet in geschil is dat appellanten gedurende de hier te beoordelen periode van 1 juli 2007 tot en met 6 oktober 2010 (de te beoordelen periode) gezamenlijk hoofdverblijf hebben gehad in een woning te Veenendaal.
In geschil is uitsluitend het antwoord op de vraag of in de te beoordelen periode is voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en de hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.
De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit het onderzoek van de sociale recherche voldoende feiten en omstandigheden naar voren komen die de conclusie kunnen dragen dat appellanten in de te beoordelen periode zorg droegen voor elkaar. Dat er sprake was van een financiële verstrengeling blijkt onder meer uit het huurcontract dat op naam van beiden staat en uit het flexibele krediet dat op naam van beiden staat. Dit blijkt voorts uit het gegeven dat appellante, vanaf het moment dat zij bij appellant kwam inwonen, de voor appellant nadelige financiële gevolgen daarvan heeft gecompenseerd. Appellant kwam immers door die inwoning niet langer in aanmerking kwam voor kwijtschelding van de gemeentelijke belastingen en zijn woontoeslag werd verlaagd van 20% naar 10%. Daarnaast is gebleken dat appellant de twee auto’s van appellante heeft ingeruild voor één nieuwe, en het verschil contant heeft afgerekend.
Dat sprake is van wederzijdse zorg blijkt voorts uit het volgende. Appellante heeft verklaard dat zij in de woning van appellant is gaan wonen in verband met haar eerste zwangerschap. De begane grond wordt door beiden gebruikt en aanvankelijk maakte appellant gebruik van de eerste verdieping en appellante met haar kind van de tweede verdieping. In verband met de geboorte van haar tweede kind heeft in de woning een wisseling plaatsgevonden en wordt de eerste verdieping door appellante en haar kinderen gebruikt. Appellant is naar de tweede verdieping gegaan, omdat het voor appellante met de kinderen makkelijker is om op de eerste verdieping te zitten, waar zich ook de badkamer bevindt. Tijdens het huisbezoek dat op 20 september 2010 is afgelegd bleek op de tweede verdieping, waar appellant slaapt, een campingbedje te staan. Appellante heeft daarover verklaard dat daar de baby tijdelijk slaapt omdat hij veel hoest en daardoor het andere kind wakker maakt. Naast de wijze waarop de woning door appellanten gezamenlijk wordt gebruikt, kan ook nog worden gewezen op het gezamenlijk gebruik van de auto’s van appellante, het samen de hond uitlaten, het gebruik dat appellant van de computer van appellante mocht maken om financiële transacties te verrichten, alsmede het feit dat appellante appellant steun bood als hij het moeilijk had.
Uit het voorgaande volgt dat appellanten, anders dan zij stellen, in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Hieraan doet niet af de stelling van appellant dat het college bekend was met het huurcontract en het flexibele krediet die op naam van beiden staan en dat het college wist dat appellante de gemeentelijke belastingen voor haar rekening had genomen. Zoals in 4.3 al is overwogen, is voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan, immers bepalend een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn. Uit 4.4.1 en 4.4.2 volgt dat geen sprake was van een kostgangersrelatie dan wel van twee zelfstandige huishoudens, maar veeleer van een, in een zakelijke relatie ongebruikelijke verbondenheid en een mate van verantwoordelijkheid voor elkaar die de grenzen van een zakelijke relatie te boven gaan.
Nu appellant geen melding heeft gemaakt van de gezamenlijke huishouding bij het college, heeft hij de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Gelet hierop bestaat geen aanleiding om toepassing te geven aan de zogeheten zes-maanden-jurisprudentie, zoals appellant subsidiair heeft aangevoerd.
Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en M. Hillen en
P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2014.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) M.R. Schuurman
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH
’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.