OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Op 7 november 2011 heeft appellant bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd, waarbij hij als woonadres heeft opgegeven [straatnaam] te [woonplaats] (opgegeven adres). Appellant heeft zijn aanvraag in een gesprek op 14 november 2011 toegelicht.
Bij besluit van 21 december 2011 heeft het college aan appellant een voorschot toegekend tot een bedrag van € 564,24 in de vorm van een renteloze geldlening.
Naar aanleiding van de aanvraag heeft het Team Fraudebestrijding op verzoek van de zogenoemde poortwachter bij het Team Nieuwe Klanten een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellant. In dat kader is onder meer dossieronderzoek gedaan, is diverse instanties om inlichtingen verzocht, is op 29 december 2011 een huisbezoek aan het opgegeven adres afgelegd, is een getuige gehoord en heeft op 11 januari 2012 een spreekkamergesprek met appellant plaatsgevonden. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 18 januari 2012.
De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van
14 februari 2012 de aanvraag van appellant af te wijzen op de grond dat uit het onderzoek is gebleken dat appellant zijn daadwerkelijke hoofdverblijf niet heeft op het door hem opgegeven adres. Bij dit besluit heeft het college tevens het aan appellant verstrekte voorschot teruggevorderd.
Bij besluit van 23 april 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 14 februari 2012 ongegrond verklaard op de grond dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij woont op het door hem opgegeven adres.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en zijn verzoek om schadevergoeding afgewezen
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant voert aan dat hij met bewijzen heeft aangetoond dat hij woonachtig was op het opgegeven adres.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Zoals de rechtbank terecht heeft vastgesteld, loopt de hier te beoordelen periode van
7 november 2011 tot en met 14 februari 2012.
Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB, voor zover hier van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.
Voor een correcte toepassing van de WWB is het van essentieel belang dat er duidelijkheid bestaat omtrent de woon- en leefsituatie van de belanghebbende. Bij een aanvraag om bijstand ligt het op de weg van de aanvrager hierover de nodige duidelijkheid te verschaffen. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de belanghebbende niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is dat een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
Appellant heeft aangevoerd dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres. Hij stond daar ingeschreven, had de huissleutel en er waren persoonlijke spullen van appellant aanwezig ten tijde van het huisbezoek. Bovendien wordt zijn standpunt ondersteund door de verklaringen van de hoofdbewoner en zijn kinderen.
Het college heeft het bestreden besluit en de rechtbank heeft de aangevallen uitspraak gebaseerd op een aantal tegenstrijdigheden tussen wat appellant in het spreekkamergesprek heeft verklaard over zijn woonsituatie op het opgegeven adres enerzijds en de op dat adres aangetroffen situatie anderzijds. Daarnaast zijn tegenstrijdigheden geconstateerd in de verschillende verklaringen die appellant tijdens de bezwaarprocedure heeft gegeven voor deze tegenstrijdigheden. Zo verschilde het aangetroffen dekbedovertrek (blauw met paardenhoofden) op het bed van appellant van het door hem beschreven dekbedovertrek (wit met kleuraccenten), hingen geen gordijnen in zijn kamer, terwijl appellant had beschreven dat er blauwe gordijnen hingen en waren geen tassen met kleding, zoals in het gesprek verklaard, aanwezig maar slechts één tas. Appellant heeft ten aanzien van het dekbedovertrek verklaard dat deze in de was van kleur moet zijn verschoten en op een ander moment dat de huisbaas buiten zijn medeweten het overtrek moet hebben vervangen. De gordijnen zijn waarschijnlijk door de huisbaas weggehaald. Appellant heeft daarnaast wisselende verklaringen afgelegd over de manier waarop hij zich op het opgegeven adres wast (met een doek die hij natmaakt, met een T-shirt of met babydoekjes), over de wijze waarop de televisie, de dvd-speler en zijn bed zijn aangeschaft (met het geld van het voorschot of van de huisbaas gekregen). Over de wijze waarop hij zijn telefoon oplaadt heeft appellant geen duidelijkheid verschaft: appellant zou de oplader van de huisbaas gebruiken, doch die oplader is niet in de woning is aangetroffen.
De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De omstandigheid dat appellant ingeschreven staat op het opgegeven adres en een sleutel heeft van de woning, brengt niet vanzelf mee dat hij in de woning zijn feitelijk hoofdverblijf heeft. Op grond van de onder 4.5 vermelde tegenstrijdigheden bestaat over het feitelijk hoofdverblijf van appellant in de beoordelingsperiode tot op heden nog onduidelijkheid. Deze is niet weggenomen met de verklaringen van de hoofdbewoner en de kinderen van appellant, nu deze geen concrete informatie verschaffen over het feitelijk verblijf van appellant op het opgegeven adres in de te beoordelen periode. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat de geconstateerde tegenstrijdigheden leiden tot het oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de te beoordelen periode op het opgegeven adres zijn hoofdverblijf had.
Gelet op de overwegingen 4.1 tot en met 4.6 slaagt het hoger beroep niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en F. Hoogendijk en
C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2014.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) A.C. Oomkens