OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellante ontving sinds 15 oktober 2004 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), laatstelijk naar de norm voor een alleenstaande, verhoogd met een toeslag van 20%.
Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellante op marktplaats.nl pups te koop aanbiedt, is onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Dit onderzoek heeft onder meer bestaan uit het opvragen van informatie van marktplaats.nl, een huisbezoek aan de woning van appellante op 23 januari 2012 en een gesprek met appellante op 24 januari 2012. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport van de afdeling Handhaving van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam van 14 februari 2012. Gerapporteerd is dat de hond van appellante in ruim één jaar tijd driemaal een nest pups heeft geworpen, in totaal ging het om dertig pups. Volgens appellante heeft zij de pups weggegeven. Op marktplaats.nl heeft appellante deze pups aangeboden voor prijzen, oplopend tot € 300,- per pup. Volgens appellante zijn deze advertenties geplaatst door haar destijds twaalfjarige dochter. Deze account bij marktplaats.nl staat op naam van appellante en er zijn regelmatig advertenties geplaatst voor pups en goederen.
Deze onderzoeksresultaten hebben geleid tot het besluit van 17 februari 2012, waarbij de bijstand van appellante met ingang van 23 januari 2012 is ingetrokken. Met ingang van
25 januari 2012 heeft het college appellante weer bijstand verstrekt.
Bij besluit van 4 april 2012 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellante tegen het besluit van 17 februari 2012 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat het college ervan uitgaat dat appellante de advertenties op marktplaats.nl heeft geplaatst en dat vanwege het ontbreken van een boekhouding voor de verkoop van de pups de inkomsten daaruit oncontroleerbaar zijn en dat als gevolg van deze schending van de inlichtingenplicht het recht op bijstand niet langer kon worden vastgesteld.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft aangevoerd dat zij geen op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht. Zij heeft daarbij gesteld dat alle pups zijn weggegeven en dat voor drie daarvan een bijdrage in de kosten van € 50,- per pup is ontvangen. Verder stelt appellante dat zij deze inkomsten niet heeft opgegeven, omdat deze niet opwegen tegen de gemaakte onkosten.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De in dit geval te beoordelen periode loopt van 23 januari 2012 tot en met 24 januari 2012, gelet op de toekenning van bijstand aan appellante met ingang van 25 januari 2012.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 15 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5987) is het voor ontvangers van bijstand niet verboden om goederen via internet te verkopen, mits daarvan en van daaruit verkregen verdiensten tijdig melding wordt gemaakt aan het bijstandverlenend orgaan. De opbrengst van incidentele verkoop van privégoederen, al dan niet via internet, wordt in het algemeen niet als inkomen aangemerkt, zodat daarvan in beginsel geen mededeling behoeft te worden gedaan.
Uit de onderzoeksbevindingen komt naar voren dat appellante bij de internetsite marktplaats.nl is geregistreerd en dat zij vanaf 25 oktober 2010 via die site – onder vermelding van haar mobiele telefoonnummer – regelmatig pups te koop heeft aangeboden. Bij het huisbezoek op 23 januari 2012 bleek appellante in bezit van een aantal pups. Appellante heeft voorts in het gesprek op 24 januari 2012 tegenover de handhavingspecialist verklaard dat haar hond in ruim een jaar tijd driemaal een nest pups heeft gehad met in totaal dertig pups. Van een incidentele verkoop van privégoederen is aldus geen sprake geweest. De opbrengst van de verkopen moet daarom worden aangemerkt als inkomen waarvan appellante het college mededeling had moeten doen.
Door hierover aan het college geen mededeling te doen heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden.
Schending van de inlichtingenverplichting vormt een rechtsgrond voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, appellante verkeert in bijstandbehoeftige omstandigheden. Het is dan aan appellante feiten te stellen en zo nodig te bewijzen dat indien zij wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan over de periode in geding recht op (aanvullende) bijstand bestond.
Appellante is daarin niet geslaagd. De verklaring van appellante dat zij geen geld heeft ontvangen voor de pups en dat zij in drie gevallen een bijdrage in de kosten van € 50,- heeft ontvangen, is daarvoor onvoldoende. In dit verband is van belang dat appellante niet beschikte over een administratie of boekhouding. Het ontbreken van een deugdelijke administratie of boekhouding moet voor rekening en risico van appellante blijven. Evenmin heeft appellante aannemelijk gemaakt dat zij deze waardevolle pups zonder enige vergoeding heeft weggegeven, wanneer dat is gebeurd en wie deze pups heeft verkregen. Met betrekking tot de stelling van appellante dat zij in verband met het verzorgen van de honden kosten heeft moeten maken, die uitgaan boven de inkomsten die zij heeft verworven met de verkoop van de pups, wijst de Raad op zijn vaste rechtspraak (uitspraak van 14 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX5020) dat bij de vaststelling van het voor bijstand in aanmerking te nemen inkomen geen ruimte voor verrekening van verwervingskosten is.
Gelet op wat in 4.2 tot en met 4.6 is overwogen, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand van appellante in de te beoordelen periode niet kan worden vastgesteld. Het college was dan ook bevoegd om de bijstand van appellante in te trekken.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en J.F. Bandringa en
M.C.D. Embregts als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2014.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) A.C. Oomkens