ECLI:NL:CRVB:2014:2006

ECLI:NL:CRVB:2014:2006, Centrale Raad van Beroep, 13-06-2014, 12-5634 AKW

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 13-06-2014
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 12-5634 AKW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002368 BWBR0035261

Samenvatting

Herziening en terugvordering kinderbijslag. Niet voldaan aan de onderhoudseis.

Uitspraak

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, die de Egyptische en Nederlandse nationaliteit heeft, is geboren [in] 1956. Hij is gehuwd met [naam echtgenote], geboren [in] 1963 in Egypte. Appellant ontving kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) voor zijn in Egypte geboren kinderen [D.], geboren [in] 1995, [W.], geboren [in] 1997 en [M.], geboren [in] 1999.

1.2. De Svb heeft bij besluit van 20 oktober 2010 het recht op kinderbijslag herzien met ingang van het derde kwartaal van 1996 (voor [D.]) en met ingang van het tweede kwartaal van 1997 en het derde kwartaal van 2000 voor respectievelijk [W.] en [M.]. De kinderen wonen volgens de Svb vanaf hun geboorte bij hun moeder in Egypte en appellant heeft niet aangetoond dat hij zijn kinderen in belangrijke mate heeft onderhouden. Bij afzonderlijk besluit van eveneens 20 oktober 2010 heeft de Svb een bedrag van € 28.276,50 aan teveel betaalde kinderbijslag over de periode van het derde kwartaal van 1996 tot en met het vierde kwartaal van 2009 teruggevorderd. De Svb heeft wegens een fout in het terugvorderingsbesluit van 20 oktober 2010 op 28 oktober 2010 een nieuw besluit afgegeven. Tegen de besluiten van 20 en 28 oktober 2010 heeft appellant bezwaar gemaakt.

1.3. In bezwaar heeft appellant aangevoerd dat zijn echtgenote en kinderen pas vanaf medio 2000 in Egypte verblijven. Nadien heeft appellant zijn kinderen steeds in belangrijke mate onderhouden. Ter ondersteuning van deze stelling heeft appellante een aantal overboekingsbewijzen van onder meer Western Union ingebracht.

1.4. Bij besluit van 27 oktober 2011 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar tegen de besluiten van 20 en 28 oktober 2010 gegrond verklaard, in zoverre dat over de periode van het derde kwartaal van 1996 tot en met het derde kwartaal van 2000 het recht op kinderbijslag niet wordt herzien. Gehandhaafd is de herziening vanaf het vierde kwartaal van 2000 tot en met het derde kwartaal van 2010, omdat appellant met de in bezwaar ingebrachte stukken niet heeft aangetoond dat hij zijn kinderen in belangrijke mate heeft onderhouden. Omdat de periode waarover het recht op kinderbijslag wordt herzien is gewijzigd, wordt het bedrag aan te veel betaalde kinderbijslag over de periode van het vierde kwartaal van 2000 tot en met het vierde kwartaal van 2009 vastgesteld op € 23.615,28. Dit bedrag wordt van appellant teruggevorderd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat appellant niet op een eenvoudig voor de Svb te controleren wijze heeft aangetoond zijn kinderen in belangrijke mate te hebben onderhouden. Voorts is overwogen dat niet is gebleken van enige dringende redenen om van terugvordering af te zien.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet op een eenvoudig voor de Svb te controleren wijze heeft aangetoond zijn kinderen in belangrijke mate te hebben onderhouden. De in bezwaar ingebrachte overmakingsbewijzen in samenhang bezien met de door de moeder van de kinderen opgestelde verklaring tonen aan dat appellant steeds de vereiste onderhoudsbijdragen heeft overgemaakt aan de moeder en ook door haar zijn ontvangen.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Tussen partijen is in hoger beroep uitsluitend in geschil of de rechtbank met de Svb terecht heeft geoordeeld dat appellant over het vierde kwartaal van 2000 tot en met het derde kwartaal van 2010 geen aanspraak had op kinderbijslag voor zijn kinderen, omdat hij niet heeft aangetoond of aannemelijk gemaakt dat hij deze kinderen toen in belangrijke mate heeft onderhouden. Appellant heeft geen andere gronden ingediend tegen het oordeel van de rechtbank over de herziening en de terugvordering.

Blijkens vaste rechtspraak dient een betrokkene op een voor de Svb eenvoudig te controleren wijze - met name door middel van bankoverschrijvingen ten name van de persoon die het kind verzorgt - aan te tonen of aannemelijk te maken dat hij aan de onderhoudseis heeft voldaan.

Appellant heeft ten aanzien van de periode van het vierde kwartaal van 2000 tot en met het derde kwartaal van 2002, het vierde kwartaal van 2003, het tweede en derde kwartaal van 2004 en de periode van het eerste kwartaal van 2006 tot en met het tweede kwartaal van 2007 geen bewijsstukken van betalingen ten behoeve van zijn kinderen overgelegd. Van een aantal in geding zijnde kwartalen blijkt uit de wel overgelegde bewijsstukken dat de uitgaven minder hebben bedragen dan de minimaal vereiste onderhoudsbijdrage. Van het derde kwartaal van zowel 2003 als 2005 blijkt uit de bewijsstukken dat een aantal bedragen niet door appellant zelf zijn overgemaakt naar de moeder van de kinderen. Deze bedragen kunnen dan ook niet worden meegenomen bij de beantwoording van de vraag of appellant zijn kinderen in belangrijke mate heeft onderhouden. De wel in die kwartalen verrichte uitgaven bedragen minder dan de hiervoor genoemde minimaal vereiste onderhoudsbijdrage.

Met betrekking tot het derde en vierde kwartaal van 2008 en de periode van het tweede kwartaal van 2009 tot en met het derde kwartaal van 2010 heeft appellant overboekingsbewijzen van Western Union ingebracht. Weliswaar staan hierop de persoonsgegevens van de moeder als ontvanger vermeld, maar dit is onvoldoende om aan te nemen dat de daarop vermelde bedragen daadwerkelijk door haar zijn ontvangen. Ontvangstbewijzen die dat zouden kunnen aantonen heeft appellant niet kunnen overleggen. Dat appellant niet meer in het bezit kan komen van deze ontvangstbewijzen komt voor zijn rekening en risico. Aan de schriftelijke verklaring waarin de moeder te kennen geeft de bedragen te hebben ontvangen, kan niet de waarde worden toegekend die appellant daaraan gehecht wenst te zien, aangezien deze verklaring naderhand is opgemaakt en niet objectief en verifieerbaar is.

Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen vloeit voort dat de in hoger beroep namens appellant aangevoerde grond niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2014.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) M.P. Ketting

IJ

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?