OVERWEGINGEN
Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursrecht (Stb. 2012, 682) in werking getreden. Met deze wet zijn wijzigingen in onder meer de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Beroepswet aangebracht. Op grond van het overgangsrecht blijft op deze zaak het recht van toepassing zoals dat gold vóór 1 januari 2013.2. Voor een uitvoeriger uiteenzetting van de voor deze gedingen relevante feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
Betrokkene was na een bevordering sinds 14 april 2009 aangesteld als majoor bij het beroepspersoneel van de krijgsmacht. Hij is op 9 mei 2011 staande gehouden door opsporingsambtenaren van de Koninklijke Marechaussee. Betrokkene heeft desgevraagd tegenover hen bevestigd dat hij op straat een joint rookte. Nog diezelfde dag heeft betrokkene zijn leidinggevende het voorval gemeld. Na een hoorzitting over deze gebeurtenis vanwege een voornemen tot schorsing is betrokkene bij besluit van 27 mei 2011 geschorst onder de mededeling dat het bevoegd gezag zal worden geadviseerd betrokkene ontslag te verlenen met toepassing van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het Algemeen Militair Ambtenarenreglement (AMAR). Bij besluit van 7 juni 2011 is betrokkene met toepassing van die bepaling wegens wangedrag (drugsgebruik) ontslag verleend.
Het tegen de schorsing gemaakte bezwaar is bij besluit van 6 maart 2012 (besluit 1) ongegrond verklaard. Hierbij heeft de directeur de grondslag voor de schorsing, het belang van de dienst, bedoeld in artikel 34, tweede lid, aanhef en onder c, van het AMAR, gewijzigd in het kenbaar gemaakte ontslagoogmerk, genoemd in artikel 34, tweede lid, aanhef en onder b, van het AMAR. Het tegen het ontslag gemaakte bezwaar is bij besluit van 20 maart 2012 (besluit 2) ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep (lees: de beroepen) gegrond verklaard, de besluiten 1 en 2 vernietigd en opdracht gegeven om opnieuw op de bezwaren te
beslissen met inachtneming van de uitspraak. Daarbij zijn ook bepalingen gegeven over vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Het hoger beroep van de directeur is gericht op vernietiging van de aangevallen uitspraak voor zover betrekking hebbend op besluit 1 en ongegrondverklaring van het beroep tegen besluit 1. Het hoger beroep van de Kroon is gericht op vernietiging van de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op besluit 2. Omdat de Minister van Defensie tijdens het hoger beroep onderkend heeft dat het ontslagbesluit en besluit 2 niet door het ter zake bevoegde gezag (de Kroon) zijn genomen en deze omissies zijn hersteld door de afgifte van een Koninklijk besluit en door een machtiging van de Koning voor besluit 2, is het hoger beroep in zoverre gericht op het in stand laten van de rechtsgevolgen van besluit 2.
Betrokkene heeft zich geschaard achter de uitkomst van de rechtbank.
De besluiten van 17 mei 2013 en 11 december 2013 worden, gelet op het bepaalde in de artikelen 6:18, 6:19 en 6:24 van de Awb, mede in de beoordeling betrokken.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Besluit 1 en het besluit van 17 mei 2013 (schorsing)
De directeur heeft in hoger beroep met juistheid aangevoerd dat de rechtbank bij de beoordeling van besluit 1 niet het toetsingskader heeft gehanteerd, dat past bij de beoordeling van de rechtmatigheid van een schorsing bij een voornemen tot een ontslag als hier aan de orde (zie bijvoorbeeld CRvB 3 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK7366). Zij heeft besluit 1 vernietigd als sequeel van haar oordeel over besluit 2. Het hoger beroep van de directeur slaagt dus.
Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad met inachtneming van zijn vaste rechtspraak beoordelen of de directeur bij het nemen van het besluit tot schorsing beschikte over voldoende gronden voor dat ontslagvoornemen. Daarbij geldt niet de eis dat die gronden het voorgenomen ontslag ook moeten kunnen dragen.
Ten tijde van de schorsing waren er overtuigende aanwijzingen voor de aanwezigheid van de situatie dat betrokkene in diensttijd en militair tenue een joint rookte. In bezwaar heeft betrokkene geen tastbare aanwijzingen voor het tegendeel ingebracht. Gelet op het vaste beleid binnen de krijgsmacht over de gevolgen van drugsgebruik, zoals neergelegd in de Aanwijzing SG A/925 van 28 maart 2007 (SG A/925), had de directeur voldoende grond voor een voornemen tot ontslag wegens wangedrag. De directeur was dan ook bevoegd om betrokkene te schorsen en heeft in redelijkheid gebruik kunnen maken van die bevoegdheid. Besluit 1 kan in rechte stand houden en het beroep tegen besluit 1 zal dus ongegrond verklaard worden.
Door de vernietiging van de aangevallen uitspraak voor zover het besluit 1 betreft ontvalt de grondslag aan het besluit van 17 mei 2013. De Raad zal dit besluit vernietigen.
Besluit 2 en het besluit van 11 december 2013 (ontslag wegens wangedrag)
Betrokkenes wangedrag bestond uit het door hem erkende roken van een joint. Voor de maatregel van ontslag was voor het bevoegd gezag van belang dat betrokkene die joint in diensttijd rookte en, voor zover geen sprake was van diensttijd, dat betrokkene die joint rookte terwijl hij gekleed was in uniform. Het beleid in SG A/925 leidt in beide gevallen met toepassing van de hoofdregel tot ontslag wegens wangedrag.
De rechtbank is er niet van overtuigd geraakt dat betrokkene ten tijde van het voorval in diensttijd was en zag ook onvoldoende grond voor het herkenbaar, althans voor burgers, gekleed gaan in uniform. Zij achtte onvoldoende aannemelijk dat het beleid in geval van gebruik van softdrugs bekend was gemaakt aan het onderdeel waar betrokkene werkzaam was. Ook was de rechtbank van oordeel dat onvoldoende aandacht was geschonken aan de individuele omstandigheden van betrokkene.
De Raad kan en zal in het midden laten of betrokkene ten tijde van het roken van de joint in diensttijd was. Hij zal beoordelen of betrokkene, die stelt dat het roken in privétijd plaatsvond, op 9 mei 2011 tijdens die gedraging gekleed was in uniform. Betrokkene heeft steeds aangegeven dat hij een incorrect militair tenue droeg, met name bestaand uit de pantalon en het overhemd. Ter zitting heeft betrokkene aangegeven dat hij zijn pet, das en onderscheidingstekens in de auto had achtergelaten, toen hij ging wandelen. De Raad ziet geen grond voor het oordeel, dat een incorrect militair uniform niet als uniform kan worden aangemerkt. Ten onrechte heeft de rechtbank betekenis toegekend aan (haar opvatting over) de onherkenbaarheid van betrokkenes kleding voor burgers als militair uniform. De Kroon heeft dus met juistheid vastgesteld dat betrokkene het wangedrag heeft gepleegd dat is omschreven in SG A/925 onder de hoofdregel sub e, “in privé-tijd softdrugs - tot maximaal een gebruikershoeveelheid - aanwezig heeft of gebruikt indien hij/zij is gekleed in uniform, (…).”
Betrokkene heeft ter zitting verklaard dat hij wist van het (strenge) beleid inzake drugs, maar dat hij niet precies op de hoogte was van de rechtspositionele maatregelen als reactie op een incidenteel gebruik van softdrugs. Mede in aanmerking genomen dat SG A/925 op het intranet van Defensie gepubliceerd was, ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het bevoegd gezag tekort is geschoten in de bekendmaking van het beleid. Dat betrokkene zich niet voldoende nauwkeurig verdiept heeft in de gevolgen van incidenteel bezit of gebruik van softdrugs komt dan voor zijn eigen risico.
Tot slot moet de Raad de vraag beantwoorden of sprake was van bijzondere omstandigheden die de Kroon aanleiding hadden moeten geven om af te wijken van het beleid door betrokkene bijvoorbeeld een schriftelijke waarschuwing te geven, zoals ook gebeurt bij een eerste gebruik van softdrugs zonder relatie met de dienst. In de door betrokkene aangevoerde omstandigheden, zoals zijn goede functioneren en de belastende privé-situatie door de daags te voren tot stand gekomen beëindiging van zijn relatie hoefde de Kroon naar het oordeel van de Raad geen zodanig bijzondere omstandigheden te zien, dat afwijking van het beleid geboden was.
De overwegingen 6.1 tot en met 6.5 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep van de Kroon slaagt. Besluit 2 komt vanwege een bevoegdheidsgebrek voor vernietiging in aanmerking; omdat het gehandhaafde ontslag wegens wangedrag overigens in rechte houdbaar is, zal de Raad de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit 2 in stand laten.Dit brengt mee dat de grondslag aan het besluit van 11 december 2013 ontvalt.
Omdat het vorenstaande leidt tot een in niet onbelangrijke mate andersluidend dictum dan in de aangevallen uitspraak is gegeven, zal de Raad mede uit oogpunt van duidelijkheid de aangevallen uitspraak geheel vernietigen, behalve de daarbij gegeven veroordeling in de proceskosten, en doen hetgeen de rechtbank zou behoren te doen.
De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en K.J. Kraan en
W.J.A.M van Brussel als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2014.
(getekend) E.J.M. Heijs
(getekend) M.R. Schuurman