ECLI:NL:CRVB:2014:2174

ECLI:NL:CRVB:2014:2174, Centrale Raad van Beroep, 20-06-2014, 12-3361 WIA

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 20-06-2014
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 12-3361 WIA
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 2 zaken
6 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001888 BWBR0002524 BWBR0004045 BWBR0004090 BWBR0009511 BWBR0019057

Samenvatting

Weigering toekenning WIA-uitkering. Geen verblijfstitel. Niet verzekerd ingevolge de wet WIA. Beroepheid op hardheid kan niet slagen nu de wet met betrekking tot het al dan niet verzekerd zijn geen hardheidsclausule kent.

Uitspraak

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, geboren [in]1955 te [plaatsnaam](Turkije), verblijft, naar eigen zeggen, sinds 1989 in Nederland. Hij is op 3 juli 2006 in dienst getreden bij [naam werkgever] Op 22 augustus 2006 is hij tijdens sloopwerkzaamheden door een lichtkoepel op een dak gevallen, waarbij onder meer zijn heup ernstig en blijvend is beschadigd. Op 20 april 2009 is namens hem verzocht om toekenning van een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Op het door hem ingevulde arbeidskundig vragenformulier is vermeld dat hij sinds 1991 diverse werkgevers heeft gehad.

1.2. Appellant is gezien door een verzekeringsarts die een Functionele Mogelijkhedenlijst heeft opgesteld. Na een arbeidskundig onderzoek is vastgesteld dat appellant volledig arbeidsongeschikt is.

1.3. Bij besluit van 9 februari 2011 is de aanvraag om toekenning van een uitkering ingevolge de Wet WIA door het Uwv afgewezen. Ter motivering wordt opgemerkt dat appellant geen verblijfstitel heeft, zodat hij niet verzekerd is ingevolge de Wet WIA.

1.4. Namens appellant is een beroep gedaan op de uitspraak van de Raad van 4 juli 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AI0627. Volgens appellant is, nu het risico van arbeidsongeschiktheid zich heeft voorgedaan voordat is vastgesteld of hij wel of niet verzekerd was ingevolge de Wet WIA, dit risico gedekt door deze sociale werknemersverzekering. Voorts is hij van mening dat artikel 13 van Besluit 1/80 verbiedt om strengere voorwaarden te stellen dan er bestonden bij aanvang van het verdrag tussen de EG en Turkije. De huidige arbeidsongeschiktheidswetgeving is een aanscherping van de regelgeving en daarom in strijd met deze standstillbepaling. Verder wordt aangevoerd dat appellant als Turks onderdaan wordt gediscrimineerd ten opzichte van Nederlandse en/of EU werknemers. Om in Nederland te mogen werken, hebben zij geen wettelijke toestemming nodig.

1.5. Bij besluit van 13 december 2011 is het bezwaar ongegrond verklaard. Opgemerkt wordt dat appellant niet verzekerd was ten tijde van het inwerkingtreden van de Koppelingswet. Het beroep op de uitspraak van de Raad van 4 juli 2003 gaat daarom niet op. Ten aanzien van artikel 13 van Besluit 1/80 wordt opgemerkt dat deze bepaling betrekking heeft op werknemers die legaal op het grondgebied van een lidstaat van de gemeenschap verblijven. Vaststaat echter dat appellant nimmer in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning noch dat hem het verrichten van arbeid was toegestaan. Het beroep op het verbod op discriminatie wordt afgewezen onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van

4 mei 2007 (ECLI:NL:CRVB:2007:BA5518). Voor het in de Koppelingswet neergelegde onderscheid naar nationaliteit is een afdoende rechtvaardiging aanwezig ook waar het gaat om uitsluiting van de verzekering voor de Wet WIA.

1.6. Aan zijn in bezwaar aangevoerde gronden heeft appellant in beroep toegevoegd dat de weigering van uitkering in strijd is met de redelijkheid. Appellant is volledig arbeidsongeschikt geworden ten gevolge van een bedrijfsongeval.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Het beroep op artikel 13 van

Besluit 1/80 faalt, nu appellant niet tot de legale arbeidsmarkt behoort en geen legale arbeid verricht. Het beroep op de uitspraak van de Raad van 4 juli 2003 faalt, omdat er geen sprake is van gelijke gevallen. Verder volgt uit de uitspraak van de Raad van 26 juni 2001 (ECLI:NL:CRVB:2001:AB2323) dat het onderscheid dat de Koppelingswet maakt naar verblijfsrechtelijke status geoorloofd is. Het beroep op een hardheidsclausule stuit af op het feit dat het bestreden onderscheid is neergelegd in de wet.

In hoger beroep heeft appellant zijn in bezwaar en beroep naar voren gebrachte gronden in essentie herhaald. Door appellant is een overzicht van zijn arbeidsverleden vanaf 1991 tot en met 2006 overgelegd. Gesteld wordt dat het hier gaat om een doorlopend arbeidsverleden en dat dit bij het Uwv en haar rechtsvoorgangers bekend was. Nimmer is appellant erop gewezen dat hij niet mocht werken of dat hij niet verzekerd was, terwijl op zijn loon wel premies werden ingehouden.

Desgevraagd heeft het Uwv een overzicht van het arbeidsverleden van appellant in het geding gebracht. Uit Suwinet en andere bronnen blijkt dat het arbeidsverleden van appellant na 1998 diverse hiaten vertoont, terwijl vanaf 2004 tot aan de indiensttreding bij Kouwenhoven in juli 2006 geen enkel dienstverband is aan te wijzen. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een doorlopende verzekering vanaf 1998. Het beroep op de uitspraak van de Raad van 4 juli 2003 slaagt dan ook niet. Gewezen wordt op de uitspraak van de Raad van 5 januari 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AU9489.

Tussen partijen is in geschil of het Uwv met recht heeft geweigerd aan appellant een uitkering ingevolge de Wet WIA toe te kennen op de grond dat appellant niet voor deze wet verzekerd was.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Voorop moet staan dat, naar vaste rechtspraak van de Raad, het in de Koppelingswet gemaakte onderscheid naar nationaliteit en verblijfsrecht in beginsel gerechtvaardigd is. Volgens appellant is dat in het onderhavige geval anders nu artikel 13 van Besluit 1/80, waarin een standstillbepaling is neergelegd, daaraan in de weg staat. Deze grond slaagt niet. De Raad wijst in dit verband op het arrest van het Hof van 7 november 2013, C-225/12, in de zaak Demir. Het Hof overweegt:

“35. Aangaande het begrip „legaal” in de zin van artikel 13 van besluit nr. 1/80 is het vaste rechtspraak dat dit inhoudt dat de Turkse werknemer of het lid van zijn gezin zich moet hebben gehouden aan de regels van de gastlidstaat op het gebied van de toegang, het verblijf en eventueel het verrichten van arbeid, en zich derhalve legaal op het grondgebied van die lidstaat bevindt. Een Turks staatsburger wiens verblijfssituatie illegaal is, kan zich dus niet op dit artikel beroepen (zie in die zin reeds aangehaald arrest Sahin, punt 53).

Aldus is vastgesteld dat de bevoegde nationale autoriteiten ook na de inwerkingtreding van besluit nr. 1/80 de maatregelen mogen aanscherpen die kunnen worden genomen tegen Turkse onderdanen die illegaal zijn (reeds aangehaald arrest Abatay e.a., punt 85).”

Ook het beroep van appellant op de uitspraak van de Raad van 4 juli 2003 slaagt niet. Door appellant is het door het Uwv in het geding gebrachte overzicht van het arbeidsverleden van appellant niet bestreden. Dat brengt mee dat op enig moment, ruim voor de datum van het arbeidsongeval in augustus 2006, de verzekering van appellant ingevolge de werknemersverzekeringen van rechtswege is geëindigd. De, door appellant niet bestreden, illegale status (geen rechtmatig verblijf/geen tewerkstellingsvergunning) stond daarna aan het opnieuw intreden van de verplichte verzekering bij een nieuwe dienstbetrekking in de weg. Verwezen wordt in dit verband naar de uitspraak van de Raad van 5 januari 2006. Het beroep dat appellant heeft gedaan op hardheid kan niet slagen nu de wet met betrekking tot het al dan niet verzekerd zijn geen hardheidsclausule kent.

Het Uwv heeft dan ook met recht geconcludeerd dat appellant ten tijde van het bedrijfsongeval in augustus 2006 niet als verzekerde in de zin van de Wet WIA kon worden aangemerkt, zodat de aangevraagde Wet WIA-uitkering met recht is geweigerd. Het beroep is dan ook vergeefs ingesteld.

Er bestaat geen grond voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2014.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) D.E.P.M. Bary

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?