OVERWEGINGEN
Appellante heeft op 18 mei 2011 een aanvraag ingediend om arbeids- en inkomensondersteuning op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong).
Bij besluit van 2 augustus 2011 is aan appellante een Wajong-uitkering voor studerenden toegekend met ingang van 7 september 2011. Het Uwv heeft vastgesteld dat appellante verminderde benutbare mogelijkheden heeft als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek. De eerste arbeidsongeschiktheidsdag van appellante ligt voor haar 17e jaar. In verband met haar studie heeft zij vooralsnog geen participatiemogelijkheden.
Bij beslissing op bezwaar van 20 oktober 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante gemaakte bezwaar tegen de ingangsdatum van de uitkering ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald dat de Wajong-uitkering met terugwerkende kracht moet worden toegekend. Gezien haar handicap was al voor haar
18e verjaardag duidelijk dat zij in aanmerking zou komen voor een uitkering. Appellante is van mening dat de inkomensvoorziening met terugwerkende kracht tot de 18e verjaardag kan ingaan als een jonggehandicapte studeert of scholing volgt.
De Raad overweegt als volgt.
Tussen partijen is niet in geschil dat op de aanvraag van appellante de bepalingen van hoofdstuk 2 van de Wet Wajong van toepassing zijn.
De rechtbank heeft terecht overwogen dat de bepalingen en het systeem van de Wet Wajong erop zijn gericht dat de toe te kennen uitkering allereerst een arbeidsondersteuning betreft en nadien een inkomensondersteuning. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank dat het recht op arbeidsondersteuning niet met terugwerkende kracht kan worden toegekend en dat, gelet op deze dwingende volgorde, het evenmin mogelijk is om met terugwerkende kracht inkomensondersteuning toe te kennen. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 11 januari 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BY8452) waarin is overwogen dat de tekst van (het derde lid van) artikel 2:15 van de Wet Wajong volstrekt helder is en dat ook in de overige bepalingen van hoofdstuk 2 geen mogelijkheid voor terugwerkende kracht is opgenomen. Hoofdstuk 2 van de Wet Wajong voorziet - anders dan hoofdstuk 3 - niet in de mogelijkheid om hier een uitzondering op te maken.
De rechtbank heeft het beroep terecht ongegrond verklaard. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en H.C.P. Venema en
E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2014.
(getekend) R.E. Bakker
(getekend) M.P. Ketting