ECLI:NL:CRVB:2014:228

ECLI:NL:CRVB:2014:228, Centrale Raad van Beroep, 24-01-2014, 10-5564 AOW

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 24-01-2014
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 10-5564 AOW
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:HR:2014:1482
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0002221

Samenvatting

Niet verzekerd ingevolge de AOW gedurende een periode woonachtig in het buitenland. Begrip ingezetenschap.

Uitspraak

OVERWEGINGEN

1.1. In februari 2009 heeft appellant, geboren op 17 februari 1954 te Suriname, aan de Svb een pensioenoverzicht ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) gevraagd. Daarbij heeft hij vermeld dat hij op 13 augustus 1972 Nederland is binnen gereisd vanuit Suriname teneinde in Nederland te gaan studeren en dat hij in mei 1974 in Nederland is gaan werken.

1.2. Bij besluit van 15 april 2009 heeft de Svb vastgesteld dat appellant van

17 februari 1969 - zijn 15e verjaardag - tot en met 30 april 1974 niet verzekerd is geweest. Voorts is appellant niet verzekerd geweest van 1 januari 2000 tot en met 29 februari 2000.

2.1. Bij besluit van 15 juli 2009 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

3.1. In de aangevallen uitspraak is het beroep ongegrond verklaard.

3.2. Appellant heeft in hoger beroep in essentie zijn eerdere gronden herhaald.

De Raad komt tot de volgende beoordeling

In geschil is of appellant in het tijdvak van 17 februari 1969 tot en met 30 april 1974 verzekerd is geweest ingevolge de AOW. Op grond van artikel 6 van de AOW is verzekerd degene die ingezetene van Nederland is (sub a), dan wel ter zake van hier te lande verrichte arbeid in dienstbetrekking onderworpen is aan de loonbelasting (sub b).

Appellant heeft met betrekking tot de het tijdvak van 17 februari 1969 tot

13 augustus 1972, het tijdvak waarin hij in Suriname woonde, betoogd dat het niet aanmerken van dit tijdvak als verzekerd tijdvak discriminatie en strijd met diverse internationale verdragen met zich brengt.

De gemachtigde van appellant heeft in een procedure van een andere AOW-gerechtigde dezelfde gronden aangevoerd. De Raad heeft in zijn uitspraak van 22 februari 2013 deze gronden niet gevolgd (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2161). Het tegen deze uitspraak ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad bij arrest van 4 oktober 2013 ongegrond verklaard (ECLI:NL:HR:2013:862). De Raad ziet geen aanleiding om in dit geval tot een ander oordeel te komen en verwijst voor de motivering naar de genoemde uitspraak van deze Raad en het arrest van de Hoge Raad.

Met betrekking tot het tijdvak van 13 augustus 1972 tot en met 30 april 1974 heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat hij als ingezetene dient te worden aangemerkt. Ingevolge artikel 2 van de AOW is ingezetene in de zin van de AOW degene die in Nederland woont. Waar iemand woont wordt op grond van artikel 3 van de AOW naar de omstandigheden beoordeeld. De Hoge Raad heeft in de arresten van 21 januari 2011

(ELCI:NL:HR:2011:BP1466) en 4 maart 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP6285) vooropgesteld dat de wetgever met het woonplaatsbegrip in de volksverzekeringswetten heeft beoogd aan te sluiten bij het fiscale woonplaatsbegrip. De Hoge Raad heeft overwogen dat het er bij de beoordeling van het ingezetenschap op aankomt of de omstandigheden van dien aard zijn dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Een toetsing aan louter juridische, economische of sociale factoren, zoals de Svb in het bestreden besluit heeft uitgevoerd, is naar het oordeel van de Hoge Raad een onjuiste maatstaf.

Naar aanleiding van deze arresten heeft de Svb zijn beleid ten aanzien van ingezetenschap gewijzigd. Dit beleid komt er - kort en op hoofdlijnen samengevat - op neer dat de Svb wonen in Nederland aanneemt als sprake is van een duurzame band van persoonlijke aard tussen betrokkene en Nederland. Of sprake is van een dergelijk band wordt beoordeeld aan de hand van alle in aanmerking komende feiten en omstandigheden van het geval.

Zoals de Raad al eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 27 oktober 2006

(ELCI:NV:CRvB:2006:AZ2599) is het de exclusieve taak van de rechter om in procedures als de onderhavige het wettelijk begrip ingezetene uit te leggen. Daarmee is niet gezegd dat de Svb geen wetsinterpreterende beleidsregels mag opstellen, maar deze regels kunnen de rechter niet binden. Zij zijn in het algemeen dus niet van doorslaggevende betekenis voor het antwoord op de vraag of een betrokkene als ingezetene moet worden aangemerkt, met dien verstande dat wel steeds beoordeeld moet worden of de Svb zijn beleidsregels ter zake, voor zover daarin sprake is van een begunstigende uitleg van de wet, ook stelselmatig heeft toegepast.

In hoger beroep heeft de Svb toegelicht dat ook indien wordt getoetst aan de maatstaf van de in 4.4 genoemde arresten van de Hoge Raad, niet tot ingezetenschap kan worden geconcludeerd. De Raad is met de Svb en de rechtbank van oordeel dat appellant eerst met ingang van mei 1974, toen hij in Nederland is gaan werken, verzekerd was ingevolge de AOW. Voordien kan hij niet als ingezetene van Nederland worden aangemerkt. Appellant is op 13 augustus 1972, op 18-jarige leeftijd, vanuit Suriname naar Nederland gekomen met het doel in Nederland een studie te volgen. De komst naar Nederland teneinde een studie te volgen wijst in beginsel, tenzij van het tegendeel blijkt, op een voorgenomen tijdelijk verblijf. Appellant beschikte in die jaren niet over zelfstandige woonruimte doch verbleef bij familie. Zijn ouders woonden in Suriname en werden door hem af en toe bezocht. Een en ander is onvoldoende om reeds bij aankomst in Nederland te concluderen tot een duurzame band van persoonlijke aard tussen betrokkene en Nederland. Dat appellant de Nederlandse nationaliteit had en was ingeschreven in de GBA maakt dit niet anders.

Appellant heeft verklaringen overgelegd waarin wordt gesteld dat hij vanaf zijn aankomst in Nederland een uitkering van de sociale dienst van de gemeente Den Haag heeft genoten en met behoud van die uitkering scholing heeft gevolgd bij het Centrum vakopleiding volwassenen. Hij zou in de jaren 1973 en 1974 parttime als trambestuurder hebben gewerkt voor de HTM. Van eind 1973 tot begin 1974 zou hij een Werkloosheidsuitkering van het GAK hebben ontvangen. Deze stellingen zijn niet met bewijsstukken onderbouwd zodat zij reeds om die reden niet kunnen worden meegewogen bij de vraag of sprake is van een verzekering ingevolge de AOW. De stelling van appellant dat hij premie ingevolgde de AOW heeft betaald, door inhouding van die premie op zijn uitkering dan wel loon, kan hem niet baten reeds omdat het betalen van premie geen voorwaarde is voor het verzekerd zijn ingevolge de AOW. Bepalend is, ingevolge artikel 6 van de AOW, of iemand ingezetene van Nederland is dan wel ter zake van hier te lande verrichte arbeid in dienstbetrekking onderworpen is aan de loonbelasting. Dit brengt ook met zich dat het feit dat

de Belastingdienst appellant in een rapport uit de jaren ’70 als niet verzekerd ingevolge de volksverzekeringen heeft aangemerkt, welk rapport appellant uitdrukkelijk heeft betwist, niet doorslaggevend is voor de uitkomst van deze procedure. Ter zake van eventueel te veel of onverschuldigd betaalde premies kan appellant zich wenden tot de Belastingdienst.

Het onder 4.1 tot en met 4.8 overwogene leidt tot het oordeel dat appellant van

17 februari 1969 tot en met 30 april 1974 terecht niet als verzekerde ingevolge de AOW is aangemerkt. Nu de Svb in het bestreden besluit een onjuiste maatstaf heeft aangelegd, kon dat besluit geen stand houden. De aangevallen uitspraak moet daarom worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen zal de Raad het bestreden besluit vernietigen doch de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand laten.

Er is aanleiding de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 974,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 1461,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Voorts worden deze kosten begroot op € 8,74 voor reiskosten in beroep en op € 33,63 voor reiskosten in hoger beroep. Appellant is aangewezen op een rolstoel waardoor voor de reiskosten het openbaar vervoer niet maatgevend is geweest. De totale proceskosten bedragen aldus € 2.477,47.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

veroordeelt de Svb in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2477,47.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en H.J. Simon en

E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2014.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) M.P. Ketting

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring der verzekerden.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?