OVERWEGINGEN
1.1. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de tussenuitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.
1.2. Bij besluit van 26 oktober 2010 heeft het Uwv, beslissend op bezwaar, de aanvraag van appellant voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) afgewezen. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van 26 oktober 2010 ongegrond verklaard.
De Raad heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat het besluit van 26 oktober 2010 op een ontoereikende medische grondslag berust. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv zijn conclusie, dat appellant reeds op de dag na zijn 17e verjaardag, toen hij nog geen ingezetene was, als arbeidsongeschikt in de zin van de Wet Wajong moet worden beschouwd, onvoldoende gemotiveerd. De Raad heeft het Uwv met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet opgedragen vorenbedoeld gebrek te herstellen.
Het Uwv heeft zich, onder verwijzing naar de onder het procesverloop vermelde ingezonden stukken, op het standpunt gesteld dat de weigering om een uitkering op grond van de Wet Wajong toe te kennen in stand blijft, maar dat de motivering daarvan, anders dan vermeld in het besluit van 26 oktober 2010, is gelegen in het standpunt dat appellant in 2010 met arbeid meer dan 75% van zijn maatmaninkomen kon verdienen en daarom niet arbeidsongeschikt was in de zin van de Wet Wajong. Hierdoor is een vergelijking met de situatie toen hij 17 jaar was respectievelijk ingezetene van Nederland werd, niet meer aan de orde.
Appellant heeft aangevoerd dat het Uwv zich niet aan de opdracht van de Raad heeft gehouden. Hij stelt dat er geen gebrek is hersteld, maar dat het Uwv ervoor gekozen heeft om, op een andere grond, een ander besluit te nemen. Appellant stelt dat het onbegrijpelijk is dat, ondanks een extra opgenomen beperking, functies te duiden zijn terwijl hij eerder, omdat er geen functies te duiden waren, volledig arbeidsongeschikt werd geacht.
De Raad overweegt het volgende.
In zijn rapport van 20 januari 2014 heeft een bezwaarverzekeringsarts een nadere toelichting gegeven op de wijze waarop hij tot vaststelling van appellants beperkingen is gekomen. Voorts heeft deze arts in dit rapport te kennen gegeven aanleiding te zien om aan de eerder vastgestelde beperking ten aanzien van het zelfstandig handelen een daaraan (gerelateerde) beperking toe te voegen met betrekking tot het zijn aangewezen op volledig voor gestructureerd werk. De voor appellant geldende beperkingen zijn vervolgens beschreven in de FML van 27 januari 2014. Gezien de in het dossier voorhanden medische gegevens, het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 20 januari 2014 en het gegeven dat namens appellant geen medische gegevens zijn overgelegd die een ander licht doen schijnen op appellants medische situatie in 2010, ziet de Raad geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts.
Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen is de Raad voorts van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt. In aanmerking genomen de rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige van 28 januari 2014 en 7 april 2014, in welk laatste rapport in het bijzonder is ingegaan op de functies uit de voorselectie die niet passend zijn bevonden en waarbij voorts te kennen is gegeven vanuit welke gestelde beperkingen dit voortkomt, is ook de Raad van oordeel dat een als genoegzaam aan te merken onderbouwing is gegeven aan de geschiktheid van de geselecteerde functies.
De Raad is, gelet op het onder 4.1 en 4.2 overwogene, van oordeel dat het Uwv met het nadere rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 20 januari 2014, de FML van
27 januari 2014 en de rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige van 28 januari 2014 en
7 april 2014 de in de tussenuitspraak gesignaleerde onvoldoende grondslag van het besluit van 26 oktober 2010 heeft hersteld, en dat het besluit om uitkering te weigeren nu op een voldoende motivering berust.
De Raad onderschrijft niet het standpunt van appellant dat het Uwv zich niet aan de opdracht van de Raad in de tussenuitspraak heeft gehouden. Dat die opdracht ertoe heeft geleid dat het Uwv op andere gronden het besluit tot het weigeren van een uitkering handhaaft, is een van de mogelijke gevolgen van de door de wetgever geïntroduceerde bestuurlijke lus. In het onderhavige geval heeft het Uwv op juiste gronden van de bevoegdheid om het gebrek te herstellen gebruik gemaakt, hetgeen echter anders dan appellant heeft beoogd, niet heeft geleid tot het door het Uwv innemen van een ander standpunt ten aanzien van het verzoek om toekenning van een uitkering ingevolge de Wet Wajong. Het Uwv blijft, weliswaar op basis van een andere motivering, van oordeel dat appellant per datum in geding niet in aanmerking komt voor een uitkering ingevolge de Wet Wajong.
Nu eerst met de ter uitvoering van de tussenuitspraak gegeven nadere beoordeling als bedoeld in 4.1 en 4.2 een voldoende grondslag is verkregen voor het besluit van
26 oktober 2010, ziet de Raad aanleiding dit besluit te vernietigen en te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Gelet hierop komt ook de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 974,- (2 punten x € 487,-) voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 1.461,- (3 punten x € 487,-) voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en J.S. van der Kolk en
J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2014.
(getekend) J.J.T. van den Corput
(getekend) M.P. Ketting