ECLI:NL:CRVB:2014:2510

ECLI:NL:CRVB:2014:2510, Centrale Raad van Beroep, 23-07-2014, 12-5756 WIA

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 23-07-2014
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 12-5756 WIA
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBROT:2012:4705
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 3 zaken
Aangehaald door 3 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0004045 BWBR0005537

Samenvatting

Beslag op WIA-uitkering. Bezwaren betreffende een gelegd beslag ingevolge artikel 438 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dienen te worden voorgelegd aan de burgerlijke rechter en is de derde-beslagene (hier: het Uwv) gehouden volledige medewerking aan het beslag te geven zonder de geldigheid en de omvang daarvan te mogen beoordelen.

Uitspraak

OVERWEGINGEN

Appellant ontvangt sinds 5 september 2008 een uitkering op grond van de

Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Bij besluit van 18 mei 2011 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat naast een eerder beslag van de Gemeente Rotterdam ook deurwaarder[naam] beslag heeft gelegd op zijn Wet WIA-uitkering en dat ter uitvoering van dat beslag een gedeelte van de uitkering zal worden ingehouden en afgedragen aan de deurwaarder, waardoor appellant € 710,12 per maand ontvangt.

Bij besluit van 28 juli 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het tegen het besluit van

18 mei 2011 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hierbij geoordeeld dat het Uwv bij het nemen van zijn besluit binnen het kader van het beslag is gebleven. In dit verband heeft de rechtbank - onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad - overwogen dat de bestuursrechter omtrent het gelegde beslag zelf geen oordeel toekomt. Dat is voorbehouden aan de burgerlijke rechter. De geldigheid van het gelegde beslag moet in dit verband als een gegeven worden beschouwd. Van de door appellant gestelde strijd met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

In hoger beroep heeft appellant herhaald dat het Uwv niet zonder onderzoek naar de grondslagen en de geldigheid van het beslag zijn medewerking daaraan had mogen verlenen. Een dergelijke gang van zaken zou naar de mening van appellant niet in overeenstemming zijn met artikel 6 van het EVRM. De handelswijze van het Uwv heeft geleid tot inbreuk op zijn privéleven als omschreven in artikel 8 van het EVRM. Daarnaast heeft appellant uitgebreid gronden aangevoerd tegen het eerder door de gemeente Rotterdam gelegde beslag.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld CRvB 31 juli 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AE6792 ) kan de beslagdebiteur (hier: appellant) bezwaren betreffende een gelegd beslag ingevolge artikel 438 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voorleggen aan de burgerlijke rechter en is de derde-beslagene

(hier: het Uwv) gehouden volledige medewerking aan het beslag te geven zonder de geldigheid en de omvang daarvan te mogen beoordelen. Ook de bestuursrechter dient bij de beoordeling van een betalingsbeslissing ter uitvoering van een gelegd beslag de geldigheid daarvan als een gegeven te beschouwen en zijn toetsing kan niet verder strekken dan de beantwoording van de vraag of het bestuursorgaan bij het nemen van zijn betalingsbeslissing binnen het kader van het beslag is gebleven. Al het overige hetgeen appellant in dit verband nog naar voren heeft gebracht zal dan ook onbesproken worden gelaten.

Nu appellant in hoger beroep weliswaar heeft gesteld, maar niet aan de hand van enig concreet gegeven aannemelijk heeft gemaakt, dat het Uwv niet binnen het kader van het gelegde beslag is gebleven, slaagt het hoger beroep niet.

De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2014.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) S.K. Dekker

CVG

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?