OVERWEGINGEN
1.1. Appellant heeft zich in juni 1995 ziek gemeld ten gevolge van een hem overkomen verkeersongeval. Appellant heeft van 27 juni 1996 tot 26 november 2007 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidverzekering (WAO) ontvangen, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 25 september 2007 is de
WAO-uitkering van appellant per 26 november 2007 ingetrokken, omdat zijn mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% was. Appellant heeft vervolgens hervat in werkzaamheden in WSW-verband, voor 16 uur per week.
1.2. Op 21 december 2010 is appellant wegens neurologische klachten opnieuw uitgevallen voor zijn werk. Op 5 november 2011 heeft appellant bij het Uwv een formulier “Melden van verslechterde gezondheid” ingediend en daarbij informatie van zijn huisarts overgelegd.
1.3. Bij besluit van 1 december 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat appelllant, na een verkorte wachttijd van vier weken per 18 januari 2011, geen WAO-uitkering krijgt omdat hij ziek is geworden door een andere oorzaak dan die waarvoor hij voorheen een WAO-uitkering ontving. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts van 30 november 2011 ten grondslag.
1.4. Bij besluit van 14 september 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 december 2011 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit is door het Uwv een rapport van een bezwaarverzekeringsarts van 13 september 2012 ten grondslag gelegd.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat het geschil zich toespitst op de vraag of de toegenomen beperkingen van appellant voortkomen uit dezelfde oorzaak, als bedoeld in artikel 43a van de WAO. De rechtbank is, met het Uwv, van oordeel dat voldoende buiten twijfel staat dat geen sprake is van een oorzakelijk verband tussen de huidige neurologische klachten en de klachten waarvoor appellant eerder een WAO-uitkering ontving. De rechtbank heeft in de beschikbare medische gegevens geen aanleiding gezien te twijfelen aan de juistheid van de rapporten van de (bezwaar)verzekeringsartsen en heeft geoordeeld dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellant een WAO-uitkering toe te kennen na een verkorte wachttijd van vier weken.
Appellant heeft zich in hoger beroep (samengevat) op het standpunt gesteld dat zijn wegrakingen een gevolg zijn van het verkeersongeval in 1995 en dat zijn beperkingen zijn toegenomen.
De Raad oordeelt als volgt.
In artikel 43a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO is bepaald dat toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge die wet kan plaatsvinden indien degene, wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens afneming van arbeidsongeschiktheid is ingetrokken, binnen vijf jaar na de datum van intrekking arbeidsongeschikt wordt en deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de uitkering werd genoten en onafgebroken vier weken heeft geduurd.
Uit de rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juni 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT7178) volgt dat buiten twijfel dient te staan dat de (toegenomen) arbeidsongeschiktheid moet voortvloeien uit een andere ziekteoorzaak, wil het bepaalde in artikel 43a van de WAO niet van toepassing zijn.
De appellant behandelende psycholoog E. Buijs en psychiater R.P. Ruimschotel hebben in hun brief van 23 januari 2014 met betrekking tot appellants klachten het volgende verklaard:
“(…) dat zijn huidige aanvallen onderhouden lijken te worden door psychosociale factoren. Zijn huidige psychiatrisch toestandsbeeld is mede ontstaan als gevolg van de pijnklachten die ontstaan zijn na het ongeluk in 1995. In die zin kan er gesproken worden van een verband tussen zijn huidige aanvallen en het verkeersongeval.”
In reactie op de verklaring van psycholoog Buijs en psychiater Ruimschotel heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 24 februari 2014 gesteld dat het verband niet aannemelijk is en dat volledig uitsluiten van een verband volgens hem niet mogelijk is. Het lijkt de bezwaarverzekeringsarts uiterst onwaarschijnlijk dat de functionele aanvallen, dus psychogeen van oorzaak, louter en alleen te wijten zijn aan het ongeval dat veertien jaar eerder plaatsvond dan de eerste aanval.
Met de in 4.3 en 4.4 genoemde medische bevindingen, staat naar het oordeel van de Raad niet buiten twijfel dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid van appellant voortvloeit uit een andere oorzaak, als bedoeld in artikel 43a van de WAO. Door de artsen wordt immers verband gelegd tussen de psychische klachten en de als direct ongevalsgevolg te beschouwen fysieke klachten. In zijn besluitvorming heeft het Uwv ten onrechte het standpunt ingenomen dat geen sprake is van een zelfde ziekteoorzaak. Het Uwv heeft daarom eveneens ten onrechte niet op basis van een medische en arbeidskundige beoordeling de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 18 januari 2011 vastgesteld.
De Raad ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht, het Uwv op te dragen een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek uit te voeren inzake de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per
18 januari 2011 en te bezien wat de gevolgen daarvan zijn voor het bestreden besluit.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met in achtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter en M. Greebe en
J.J.T. van de Corput als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2014.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) H.J. Dekker