OVERWEGINGEN
Uit de tussenuitspraak volgt dat de aangevallen uitspraak - met verbetering van gronden - zal worden bevestigd. De besluiten van 31 augustus 2012 (besluit 4) en 28 november 2012 (besluit 5) worden in onderlinge samenhang gelezen als beslissing op bezwaar vernietigd wegens strijd met de artikelen 7:11 en 7:12 van de Awb. Het besluit van 13 mei 2013 (besluit 6) wordt vernietigd op de grond dat geen bezwaar meer openstond.
In zijn reactie op het nieuwe besluit van 1 mei 2014 heeft betrokkene laten weten dat hij met de thans toegekende bijzondere beloning genoegen neemt. Het nieuwe besluit komt dus geheel aan het hoger beroep tegemoet. Over dit besluit bestaat geen geschil en het kan hier verder buiten beschouwing blijven.
Betrokkene heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade. Hij heeft aangevoerd dat hij jaren aan deze zaak heeft besteed. Er is imagoschade opgetreden. Bovendien is er sprake van zeer ernstig gederfde levensvreugde. Hij heeft vele uren in de weekeinden en menig uur verlof aan de zaak moeten besteden. Zijn gezin en gezinsleven hebben enorm onder de zaak geleden en deze heeft de gezondheid geen goed gedaan. Indien appellant zorgvuldiger was geweest, had het nooit zo ver hoeven komen. Appellant had gewoon geen zaak en heeft niet als goed werkgever gehandeld. Dit is hem zwaar aan te rekenen, aldus betrokkene.
Dit betoog kan niet leiden tot het daarmee beoogde doel. Betrokkene heeft gesteld noch aannemelijk gemaakt dat ten gevolge van de vernietigde besluiten sprake is geweest van als aantasting van zijn persoon aan te merken geestelijk letsel waaraan hij aanspraak op vergoeding van immateriële schade zou kunnen ontlenen. Volgens vaste rechtspraak is daarvoor onvoldoende dat - zoals in dit geval - sprake is van meer of minder sterk psychisch onbehagen en van een zich gekwetst voelen door het onrechtmatige besluit (CRvB 30 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR1216). Evenmin is aannemelijk gemaakt dat betrokkene in de zin van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek in zijn eer of goede naam is geschaad of dat zich anderszins een situatie voordoet zoals in dit artikellid omschreven.
Voor zover betrokkene schadevergoeding wenst voor het voorbereiden en verrichten van proceshandelingen, bestaat daarvoor geen ruimte. Het gaat hier om (proces)kosten waarvan vergoeding uitsluitend kan geschieden op grond van artikel 8:75 van de Awb, en dan nog slechts voor zover dit artikel, in samenhang met het Besluit proceskosten bestuursrecht, daarin voorziet.
Het verzoek om schadevergoeding zal daarom worden afgewezen.
Er zijn termen om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 49,22 aan reiskosten. Voor zover betrokkene heeft willen verzoeken om vergoeding van verletkosten, heeft hij geen enkel inzicht gegeven in de omvang daarvan. Voor het overige is van kosten als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht evenmin gebleken.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen de besluiten van 31 augustus 2012, 28 november 2012 en
mei 2013 gegrond en vernietigt deze besluiten;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;
- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 49,22;
- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 466, wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper als voorzitter en C.H. Bangma en
W.J.A.M. van Brussel als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 september 2014.
(getekend) R. Kooper
(getekend) S.K. Dekker