OVERWEGINGEN
Appellant en zijn vriendin S betichten V, werkzaam bij de politie en voormalig buurman van S, er al jaren van dat hij een aanzienlijk aantal misdrijven, overtredingen en andere gedragingen jegens hen heeft gepleegd. Appellant en S hebben diverse vergeefse pogingen ondernomen om V strafrechtelijk te laten vervolgen en de korpschef te doen inzien dat V niet geschikt is zijn functie uit te oefenen.
Bij brief van 27 juli 2010 heeft appellant de korpschef verzocht om een extern disciplinair onderzoek naar V te laten verrichten, V tijdens dat onderzoek te schorsen en hem na afloop van het onderzoek onvoorwaardelijk ontslag te verlenen.
Bij brief van 3 november 2010 heeft de korpschef, samengevat en voor zover van belang, aan appellant meegedeeld dat, zoals hem al eerder is bericht, niet meer op brieven en klachten van appellant in relatie tot V wordt gereageerd en niet inhoudelijk op de brief van 27 juli 2010 wordt ingegaan.
Appellant heeft bij brief van 16 november 2010 bezwaar gemaakt tegen het niet inhoudelijk behandelen van zijn verzoek van 27 juli 2010.
Appellant heeft bij brief van 15 juni 2011 bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn bezwaar van 16 november 2010 en tegen het niet tijdig nemen van een dwangsombesluit naar aanleiding van een ingebrekestelling van hem van 13 maart 2011. Voorts heeft appellant de korpschef in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van het dwangsombesluit.
1.6. Appellant heeft bij brief van 13 februari 2012 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op de bezwaren van 16 november 2010 en 15 juni 2011. Daarbij heeft hij tevens verzocht om vast te stellen dat de korpschef aan hem een dwangsom verbeurt tot een bedrag van in totaal € 2.520,-.
Bij uitspraak van 22 oktober 2012 heeft de rechtbank het beroep met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 11 maart 2013 heeft de rechtbank het verzet tegen de uitspraak van 22 oktober 2012 gegrond verklaard.
Bij besluit van 21 mei 2013, vervangen door het besluit van 15 juli 2013, heeft de korpschef, voor zover van belang, het bezwaar van 16 november 2010 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat appellant geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2 van de Awb en de brief van 3 november 2010 geen voor bezwaar vatbaar besluit is.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om vaststelling van een dwangsom afgewezen.
De Raad komt naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd tot de volgende beoordeling.
De stelling van appellant dat de rechtbank in strijd met artikel 8:69 van de Awb niet op de grondslag van zijn beroep heeft beslist, treft doel. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op de bezwaren van 16 november 2010 en 15 juni 2011. De rechtbank heeft zich ten onrechte niet uitgelaten over dat beroep, maar zich beperkt tot een oordeel over het besluit van 15 juli 2013 en het verzoek om vaststelling van een dwangsom. De Raad zal hierna alsnog ingaan op het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de bezwaren van 16 november 2010 en 15 juni 2011.
Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar van 16 november 2010
Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar van
16 november 2010 dient niet-ontvankelijk te worden verklaard. Omdat met het besluit van
15 juli 2013 alsnog op het bezwaar van 16 november 2010 is beslist, heeft appellant immers in zoverre geen procesbelang meer bij een behandeling van het beroep.
Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar van 15 juni 2011
Het bezwaarschrift van 15 juni 2011 heeft betrekking op zowel het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar van 16 november 2010 als het niet tijdig nemen van een dwangsombesluit.
Tegen het niet tijdig nemen van een besluit staat ingevolge artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb geen bezwaar open. Dit betekent dat de korpschef het bezwaarschrift van 15 juni 2011 met toepassing van artikel 6:15 van de Awb ter behandeling als beroepschrift had moeten doorzenden aan de rechtbank. De Raad zal over dit beroep alsnog oordelen en het beroepschrift van 13 februari 2012 in zoverre aanmerken als aanvullend beroepschrift.
Voor zover het bezwaarschift van 15 juni 2011 moet worden aangemerkt als een beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar van 16 november 2010, behoeft dat beroep geen afzonderlijke bespreking. Over het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar van 16 november 2010 is immers onder 3.2 al geoordeeld.
Voor zover het bezwaarschrift van 15 juni 2011 moet worden aangemerkt als een beroep tegen het niet tijdig nemen van een dwangsombesluit, wordt het volgende overwogen. Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb kan, voor zover hier van belang, het beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft meegedeeld in gebreke te zijn. Vaststaat dat de korpschef niet tijdig op het bezwaar van 16 november 2010 heeft beslist. Appellant heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat hij, zoals hij heeft gesteld, bij brief van 13 maart 2011 de korpschef in gebreke heeft gesteld. De korpschef heeft gesteld de brief niet te hebben ontvangen, althans niet eerder dan na ontvangst van het beroepschrift van
13 februari 2012, waarbij de brief van 13 maart 2011 als bijlage was gevoegd. De stelling van appellant dat hij de brief van 13 maart 2011 ter post heeft bezorgd en dat S dit kan bevestigen, treft geen doel. Zijn verklaring en de eventuele bevestiging door S worden immers niet door objectieve gegevens ondersteund. De conclusie is dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een dwangsombesluit niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Het besluit van 15 juli 2013
Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank het besluit van 15 juli 2013 niet in haar beoordeling had mogen betrekken. Volgens appellant was immers slechts sprake van een ontwerpbesluit, omdat het besluit van 15 juli 2013 niet aan hem is verzonden en pas op zitting aan hem is verstrekt. Bovendien had de rechtbank volgens appellant het besluit, gelet op artikel 8:58 van de Awb, moeten weigeren.
Het feit dat het besluit van 15 juli 2013 niet aan appellant is verzonden, maar aan hem is uitgereikt ter zitting van de rechtbank, betekent niet dat slechts sprake was van een ontwerpbesluit. Nu het besluit van 15 juli 2013 het besluit van 21 mei 2013 verving, had het beroep van appellant ingevolge artikel 6:20, derde lid, van de Awb mede betrekking op het besluit van 15 juli 2013. Uit het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank blijkt niet dat appellant zich heeft verzet tegen het betrekken van het besluit van 15 juli 2013 bij de beoordeling. Verder heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij in zijn belangen is geschaad doordat het besluit eerst ter zitting aan hem bekend is gemaakt en bij de beoordeling is betrokken. Het besluit van 15 juli 2013 is immers inhoudelijk identiek aan het vervangen besluit van 21 mei 2013. Het enige verschil is dat het besluit van 21 mei 2013 namens de korpschef door de plaatsvervangend korpschef is genomen, terwijl het vervangende besluit
van 15 juli 2013 door de korpschef zelf is genomen. Concluderend bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank het besluit van 15 juli 2013 niet in de beoordeling heeft mogen betrekken.
Anders dan appellant betoogt, heeft de rechtbank het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 15 juli 2013, terecht ongegrond verklaard. De korpschef heeft appellant terecht niet ontvangen in zijn bezwaar tegen de brief van 3 november 2010. Voor zover die brief moet worden aangemerkt als een weigering om een disciplinair onderzoek naar V te starten, is appellant bij deze weigering geen belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb. Het belang van appellant is immers niet rechtstreeks betrokken bij een beslissing die de rechtspositie van V aangaat.
De dwangsombeslissing
De Raad is, anders dan appellant, van oordeel dat de rechtbank het verzoek om vaststelling van een dwangsom terecht heeft afgewezen.
Vaststaat dat appellant bij brief van 15 juni 2011 de korpschef in gebreke heeft gesteld wegens het niet tijdig nemen van een dwangsombesluit. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1290) stelt de Raad vast dat de korpschef geen dwangsom kan verbeuren wegens het niet tijdig nemen van een dwangsombesluit.
Ook de in februari 2012 door de korpschef alsnog ontvangen ingebrekestelling van
13 maart 2011 kan niet leiden tot het verbeuren van een dwangsom. Ingevolge artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder c, in verbinding met artikel 7:14 van de Awb is geen dwangsom verschuldigd indien het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is. Daarvan is hier sprake, gelet op wat onder 3.7 is overwogen. Het enkele feit dat de korpschef het bezwaar niet-ontvankelijk en niet kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, zoals appellant heeft aangevoerd, betekent niet dat geen sprake is van een kennelijk niet-ontvankelijk bezwaar. Overigens was en is ook de korpschef van opvatting dat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is, wat onder meer volgt uit het feit dat de korpschef appellant niet over zijn bezwaar heeft gehoord.
3.11. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover daarbij niet is beslist op het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op de bezwaren van 16 november 2010 en 15 juni 2011. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar van 16 november 2010 alsmede het beroep tegen het niet tijdig nemen van een dwangsombesluit niet-ontvankelijk verklaren.
Wat appellant overigens nog heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel en wordt daarom buiten bespreking gelaten.
4. De Raad ziet aanleiding de korpschef te veroordelen in de reiskosten van appellant voor het bijwonen van de zitting van de rechtbank en de Raad. Deze kosten worden vastgesteld op een bedrag van in totaal € 27,80. Voorts bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:114, eerste lid, van de Awb te bepalen dat het voor het hoger beroep betaalde griffierecht door de griffier aan appellant wordt terugbetaald.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij niet is beslist op het beroep tegen het
niet tijdig nemen van een beslissing op de bezwaren van 16 november 2010 en 15 juni 2011;- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar van
16 november 2010 niet-ontvankelijk;- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een dwangsombesluit niet-ontvankelijk;- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;- bepaalt dat de griffier aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 239,- terugbetaalt;- veroordeelt de korpschef in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal
€ 27,80.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en B.J. van de Griend en
M.T. Boerlage als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2014.
(getekend) E.J.M. Heijs
(getekend) S.W. Munneke