ECLI:NL:CRVB:2014:3454

ECLI:NL:CRVB:2014:3454, Centrale Raad van Beroep, 24-10-2014, 13-2837 WIA

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 24-10-2014
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 13-2837 WIA
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001888

Samenvatting

Weigering WAO-uitkering. Geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de conclusie van de verzekeringsarts dat appellant geen onafgebroken periode van 104 weken arbeidsongeschikt is geweest.

Uitspraak

OVERWEGINGEN

Appellant is op 10 juli 2006 wegens knieklachten uitgevallen voor zijn werk als metselaar voor 40 uur per week. Per einde wachttijd op 7 juli 2008 is de arbeidsongeschiktheid van appellant vastgesteld op minder dan 35% in het kader van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Op 9 juli 2009 heeft appellant zich vanuit de Werkloosheidswet ziek gemeld in verband met hartklachten. In het kader van de Ziektewet is geoordeeld dat appellant met ingang van 22 april 2011 beperkingen heeft conform de op 29 mei 2008 opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en is hij hersteld verklaard voor zijn arbeid, zijnde de op basis van die FML per einde wachttijd op 7 juli 2008 geduide functies. Bij besluit van 18 april 2011 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering, omdat hij voor het einde van de wachttijd van 104 weken hersteld is verklaard. Het hiertegen gemaakt bezwaar van appellant is bij besluit van

5 oktober 2011 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 28 juni 2012, 11/4876, het Uwv opgedragen om een zelfstandig onderzoek in te stellen naar de vraag of appellant de volledige wachttijd heeft volbracht. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 9 oktober 2012 (bestreden besluit) het bezwaar tegen het besluit van 18 april 2011, met verbetering van motivering, wederom ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het Uwv een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 12 september 2012 ten grondslag gelegd.

2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat het standpunt van het Uwv, dat appellant geen onafgebroken periode van 104 weken arbeidsongeschikt is geweest vanaf 9 juli 2009, onjuist is. Daarom is niet voldaan aan één van de ontstaansvoorwaarden voor het recht op een WIA-uitkering.

In hoger beroep heeft appellant verwezen naar hetgeen hij in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht. Hij is van mening dat hij wel de volledige wachttijd van 104 weken heeft volbracht. Appellant kan zich niet vinden in de het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 12 september 2012. Hij geeft ten slotte aan dat zijn gezondheidstoestand de laatste maanden opnieuw achteruit is gegaan.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Artikel 23, eerste lid, van de Wet WIA bepaalt dat de verzekerde recht heeft op toekenning van uitkering zodra hij onafgebroken 104 weken arbeidsongeschikt is geweest en na afloop nog arbeidsongeschikt is. Als eerste dag van de arbeidsongeschiktheid geldt de eerste werkdag waarop wegens ziekte niet is gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt. Voorts bepaalt het derde lid van dit artikel dat perioden van arbeidsongeschiktheid worden samengeteld als zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen en dat voor het bepalen van het tijdvak van 104 weken steeds in aanmerking worden genomen de tijdvakken, gedurende welke aanspraak bestaat op ziekengeld krachtens de Ziektewet. Uit dit samenstel van bepalingen volgt niet dat aan het ontbreken van aanspraak op ziekengeld een zelfstandige, laat staan doorslaggevende, betekenis moet worden toegekend bij de beoordeling in het kader van de Wet WIA of een verzekerde de wachttijd van 104 weken arbeidsongeschiktheid heeft vervuld. De vraag of de wachttijd is vervuld vereist een zelfstandige beoordeling op basis van alle alsdan beschikbare gegevens van medische en andere aard, waarbij eventuele eerdere, tijdens de wachttijd plaatsgevonden hersteld meldingen, betrokken (kunnen) worden (zie onder meer de uitspraak van de Raad van

6 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2665).

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft met zijn rapport van 12 september 2012 nader onderzoek verricht naar de vraag of appellant de wachttijd van 104 weken heeft volbracht. Daartoe is dossieronderzoek verricht, waarbij de brieven van de cardioloog van

9 december 2009 en 16 februari 2011 zijn betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep acht het juist dat op cardiologische gronden geen beperkingen voor appellant zijn opgenomen. Hij is van mening dat het rapport van de verzekeringsarts van 14 april 2011, waarin appellant met ingang van 22 april 2011 hersteld werd verklaard, geen evidente onjuistheden bevat. De FML van 29 mei 2008 is nog steeds op appellant van toepasing. Voorts zijn tussen de herstelmelding van 22 april 2011 en 7 juli 2011, datum waarop de wachttijd is verlopen, geen nieuwe ziekmeldingen geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep komt tot de conclusie dat appellant de wachttijd van 104 weken niet heeft volbracht.

Met de rechtbank heeft de Raad in het dossier en het verhandelde ter zitting geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de door het Uwv gevolgde conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat appellant vanaf 9 juli 2009 geen onafgebroken periode van 104 weken arbeidsongeschikt is geweest. Appellant heeft zijn standpunt dat hij wel gedurende 104 weken arbeidsongeschikt is geweest niet nader toegelicht, noch met enig medisch stuk onderbouwd. De door appellant genoemde recente verslechtering van zijn gezondheid ziet niet op hier de in geding zijnde periode.

Op grond van hetgeen is overwogen in 4.2 en 4.3 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2014.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) A.C. Oomkens

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?