OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Bij besluit van 13 maart 2012 heeft CIZ op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten appellant van 13 maart 2012 tot en met 12 maart 2013 geïndiceerd voor Begeleiding Individueel, klasse 1.
Bij besluit van 31 oktober 2012 heeft CIZ het door appellant hiertegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Hierbij is overwogen dat de door appellant naar voren gebrachte reden geen aanleiding geeft om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.
Bij uitspraak van 18 april 2013 heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:54 van de Awb het beroep van appellant tegen het besluit van 31 oktober 2012 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen die uitspraak gedane verzet met toepassing van artikel 8:55 van de Awb ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld.
4. De Raad oordeelt als volgt.
De aangevallen uitspraak is een uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, aanhef en onder b, van de Awb. Op grond van artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb kan tegen een dergelijke uitspraak geen hoger beroep worden ingesteld. In geding ligt dan ook allereerst de vraag voor of dit appèlverbod buiten toepassing moet blijven.
Voor een doorbreking van een wettelijk appèlverbod kan aanleiding zijn indien sprake is van evidente schending van een goede procesorde dan wel fundamentele rechtsbeginselen, zodanig dat van een eerlijk en onafhankelijk proces geen sprake is. In wat appellant heeft aangevoerd, ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat daarvan sprake is geweest. Na vereenvoudige behandeling heeft appellant zijn zaak immers door middel van verzet, kunnen voorleggen aan een rechter en die heeft daarop, na appellant te hebben gehoord, uitspraak gedaan. Het enkele feit dat de rechtbank gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid het beroep vereenvoudigd te behandelen, betekent niet dat daarmee de fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden.
Ook kan grond bestaan voor doorbreking van het appèlverbod indien de rechtbank is getreden buiten de reikwijdte van de bevoegdheid waarvan de aanwending van hoger beroep is uitgezonderd. Naar het oordeel van de Raad doet ook deze uitzondering zich niet voor.
Gelet op het voorgaande dient de Raad zich onbevoegd te verklaren.
5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en M.F. Wagner en D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2014.
(getekend) J. Brand
(getekend) B. Fotchind