ECLI:NL:CRVB:2014:3579

ECLI:NL:CRVB:2014:3579, Centrale Raad van Beroep, 31-10-2014, 13-1618 WAO

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 31-10-2014
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 13-1618 WAO
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBROT:2013:627
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002524

Samenvatting

Weigering WAO-uitkering. Geen sprake van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Niet gebleken dat appellant meer medische beperkingen dan op de datum waarop zijn uitkering is ingetrokken. De brief van 28 juni 2011 betreft herhaalde besluitvorming die niet is gericht op zelfstandig rechtsgevolg. Deze brief is derhalve geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb en dit betekent dat de rechtbank het bezwaar van appellant daartegen terecht alsnog niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Uitspraak

OVERWEGINGEN

Voor een uitvoeriger overzicht van de feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

Met ingang van 28 augustus 1995 is appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering is met ingang van 14 maart 2003 beƫindigd omdat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht.

Een door appellant tegen een besluit van 17 juni 2011 gemaakt bezwaar is door het Uwv bij besluit van 13 juli 2011 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat appellant met ingang van 1 januari 2011 niet in aanmerking komt voor een WAO-uitkering omdat er geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid binnen 5 jaar na de datum van toekenning of herziening van de uitkering als bedoeld in artikel 43a van de WAO.

Bij brief van 28 juni 2011 heeft het Uwv appellant nogmaals meegedeeld dat er met ingang van 1 januari 2011 geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 43a van de WAO. Ook hiertegen heeft appellant bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 13 december 2011 heeft het Uwv het verzoek van appellant om een besluit van 19 oktober 2006 te herzien, afgewezen. Nadat appellant tegen eerstgenoemd besluit bezwaar had gemaakt, heeft het Uwv vastgesteld dat op het door appellant in 2006 gedane verzoek om een herbeoordeling vanwege toegenomen arbeidsongeschiktheid destijds nimmer een formeel besluit is genomen. Bij besluit van 5 maart 2012 is het Uwv hier alsnog toe overgegaan en is dit verzoek afgewezen. Ook tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. Bij besluit van 5 juli 2012 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het besluit van 13 december 2011 ingetrokken en het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 maart 2012, in overeenstemming met een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 3 juli 2012, ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat er in 2006 geen situatie is geweest van toegenomen arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 43a van de WAO.

2. Tegen de bestreden besluiten 1 en 2 heeft appellant beroep ingesteld bij de rechtbank.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank in de eerste plaats vastgesteld dat de door het Uwv op 28 juni 2011 gedane mededeling dezelfde inhoud heeft als het besluit van

17 juni 2011 en dat het Uwv bij bestreden besluit 1 ten onrechte geen beslissing heeft genomen ten aanzien van het door appellant tegen het besluit van 28 juni 2011 gemaakte bezwaar. Dit is voor de rechtbank aanleiding geweest om het beroep tegen het bestreden besluit 1, voor zover daarin niet is beslist op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 juni 2011, gegrond te verklaren en dit bestreden besluit in zoverre te vernietigen. Voorts heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak voorzien door het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 juni 2011 alsnog niet-ontvankelijk te verklaren. Voor het overige heeft de rechtbank zich kunnen verenigen met het door het Uwv in dit bestreden besluit ingenomen standpunt dat er met ingang van 1 januari 2011 geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Daartoe is overwogen dat op 1 januari 2011 de in artikel 43a van de WAO genoemde periode van vijf jaar reeds was verstreken. In zoverre heeft de rechtbank het door appellant tegen het bestreden besluit 1 ingestelde beroep dan ook ongegrond verklaard.

Het door appellante tegen het bestreden besluit 2 ingestelde beroep heeft de rechtbank (eveneens) ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts van 20 juli 2006 en het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 3 juli 2012 heeft de rechtbank zich kunnen verenigen met het door het Uwv in dit besluit ingenomen standpunt dat er geen sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 43a van de WAO. Daarbij is in overweging genomen dat appellant geen medische informatie heeft overgelegd waaruit blijkt of kan worden afgeleid dat sprake is van verergering dan wel verandering van zijn situatie op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat hij ten tijde hier in geding (te weten op 20 juli 2006) meer medische beperkingen had dan op 14 maart 2003, de datum waarop zijn uitkering is ingetrokken.

4. Het hoger beroep van appellant is, zoals de gemachtigde van appellant ter zitting bij de Raad heeft verklaard, met name gericht tegen de omstandigheid dat het Uwv bij bestreden besluit 2 heeft bepaald dat er bij de beoordeling in 2006 ten aanzien van appellant geen sprake is geweest van toegenomen arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 43a van de WAO. Voorts heeft appellant gesteld dat de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 1, voor zover daarbij niet is beslist op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 juni 2011, ten onrechte gegrond heeft verklaard. Dat is naar de mening van appellant niet mogelijk, nu de rechtbank het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 juni 2011 (alsnog) niet ontvankelijk heeft verklaard.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het oordeel van de rechtbank dat appellant op 20 juli 2006 niet meer beperkingen had dan op 14 maart 2003 wordt onderschreven. De Raad kan zich geheel verenigen met de overwegingen die de rechtbank in de aangevallen uitspraak aan deze conclusie ten grondslag heeft gelegd. Het hoger beroep, waarin ten aanzien van bestreden besluit 2 geen wezenlijk andere gezichtspunten naar voren zijn gebracht als eerder in de procedure, kan niet tot een ander oordeel leiden. Dit betekent dat de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 terecht ongegrond heeft verklaard.

Appellant wordt niet gevolgd in zijn betoog dat de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 1, voor zover daarbij niet is beslist op het bezwaar van appellant tegen het bestreden besluit 2, waarbij is bepaald van 28 juni 2011, ten onrechte gegrond heeft verklaard. Tijdens de zitting bij de rechtbank is van de zijde van het Uwv verklaard dat bij bestreden besluit 1 ten onrechte is verzuimd een beslissing te nemen op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 juni 2011 en dit betekent dat dit bestreden besluit in zoverre onvolledig is geweest. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen dit bestreden besluit dan ook in zoverre terecht gegrond verklaard. Voorts wordt vastgesteld dat de brief van 28 juni 2011 herhaalde besluitvorming betreft die niet is gericht op zelfstandig rechtsgevolg. De brief van 28 juni 2011 is derhalve geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb en dit betekent dat de rechtbank het bezwaar van appellant daartegen terecht alsnog niet-ontvankelijk heeft verklaard. Voor het overige heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden 1 terecht ongegrond verklaard. Ook de Raad is van oordeel, mede gelet op hetgeen is overwogen in 5.2, dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat op 1 januari 2011 de in artikel 43a genoemde termijn van 5 jaar was verstreken.

Uit hetgeen is overwogen in 5.2 en 5.3. volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Het verzoek om schadevergoeding moet derhalve worden afgewezen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter, in tegenwoordigheid van

B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2014.

(getekend) D.J. van der Vos

(getekend) B. Rikhof

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?