OVERWEGINGEN
Voor een uitgebreide weergave van de voor dit geding relevante feiten wordt verwezen naar de tussenuitspraak.
Het besluit van 13 juli 2013 komt geheel aan de bezwaren van betrokkene tegemoet, zodat zij bij een beoordeling daarvan geen belang heeft.
Nu het besluit van 19 juli 2013 niet geheel aan de bezwaren van betrokkene tegemoetkomt strekt het geding in hoger beroep, gelet op de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, zich mede uit tot dit nieuwe besluit.
Bij het besluit van 19 juli 2013 heeft appellant met toepassing van artikel 3.29 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) aan betrokkene een vergoeding toegekend, omdat zij ten onrechte niet heeft beschikt over een OV-recht.
Betrokkene heeft zich op het standpunt gesteld dat zij meer kosten heeft gemaakt dan bij het besluit van 19 juli 2013 aan haar worden vergoed en dat alle kosten die zij voor het reizen voor haar studie heeft moeten maken voor vergoeding in aanmerking zouden moeten komen.
2. De Raad oordeelt als volgt.
Artikel 3.29 van de Wsf 2000 regelt het recht op een vergoeding voor studerenden aan wie weliswaar studiefinanciering is toegekend maar aan wie niet tevens - tijdig - een reisrecht ter beschikking is gesteld. Over de voorloper van deze bepaling, artikel 32h van de Wet op de Studiefinanciering, heeft het College van beroep studiefinanciering in zijn uitspraak van 4 juni 1997, JB 1997, 183 onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis van de invoering van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geoordeeld dat deze bepaling er niet aan in de weg stond dat naast de hierin geregelde schadevergoeding (aanvullend) toepassing zou kunnen worden gegeven aan artikel 8:73 van de Awb. Het College van beroep studiefinanciering heeft daarbij aangegeven dat de regering over de verhouding van de Awb tot latere wetgeving heeft verklaard, dat niet valt uit te sluiten dat in uitzonderingsgevallen moet worden afgeweken van de in de Awb opgenomen regels die zonder uitzondering voor het gehele bestuursrecht gelden. Deze uitzonderingen zullen dan in de bijzondere wet zelf moeten worden aangegeven, terwijl de reden van de afwijking in de memorie van toelichting ook uitdrukkelijk moet worden gemotiveerd.
In de Memorie van Toelichting bij artikel 3.29 van de Wsf 2000 heeft de regering - onder meer - het volgende opgemerkt:
“Hoewel hier een specifieke schaderegeling is gegeven, ligt het voor de hand dat de algemene regeling die de Awb (artikel 8:73) en het Burgerlijk Wetboek geven terzake van zelfstandig schadebesluit, niet van toepassing zijn.” (Tweede Kamer, 26 873, nr. 3, p. 47).
In het onderhavige geval is van een situatie als bedoeld in artikel 3.29 van de Wsf 2000 geen sprake. Er is indertijd immers afwijzend beslist op de aanvraag van betrokkene. Er is toen in het geheel geen studiefinanciering en evenmin een reisrecht toegekend. Zoals in de tussenuitspraak is geoordeeld was die weigering onrechtmatig. Dat betekent dat de schade die betrokkene heeft geleden voor vergoeding in aanmerking komt. Beperking van de vergoeding van de schade van appellante door (analoge) toepassing van de in artikel 3.29 van de Wsf 2000 neergelegde regeling die blijkens de tekst niet voor de onderhavige situatie is bedoeld ligt niet in de rede. Hetgeen de regering in de Memorie van Toelichting bij artikel 3.29 van de Wsf 2000 heeft opgemerkt - mogelijk met het oog op de hiervoor genoemde uitspraak van het College van beroep studiefinanciering - is niet toereikend om ervan uit te gaan dat in alle gevallen waarin geen reisrecht is toegekend uitsluitende toepassing kan worden gegeven aan artikel 3.29 van de Wsf 2000, en dat toepassing van artikel 8:73 van de Awb en de schadevergoedingsbepalingen uit het Burgerlijk Wetboek niet aan de orde zou zijn. Voor zover de wetgever al heeft beoogd voor schade die samenhangt met het reisrecht een forfaitaire beperking van de aansprakelijkheid tot stand te brengen, is deze naar het oordeel van de Raad wettelijk onvoldoende expliciet verankerd.
De verwijzing van appellant naar de uitspraak van de Raad van 22 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2124, is voor de onderhavige kwestie niet relevant nu die uitspraak betrekking heeft op (juiste) toepassing van artikel 3.29 van de Wsf 2000.
Dit betekent dat het beroep tegen het besluit van 19 juli 2013 gegrond is en dat dat besluit moet worden vernietigd.
Betrokkene heeft ten bewijze van de door haar geleden schade kopieën ingezonden van de treinkaartjes die zij heeft gekocht in de periode waarin haar geen OV-recht was toegekend. Appellant zal (mede) aan de hand van deze stukken moeten beslissen over de hoogte van de vergoeding van de door betrokkene geleden schade.
3. Wat is overwogen in de tussenuitspraak leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Dat brengt mee dat van appellant griffierecht wordt geheven.
4. Nu het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd is er aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze worden begroot op € 15,80 aan reiskosten. Veroordeling van appellant in de verletkosten van de gemachtigde van betrokkene is niet mogelijk, nu slechts verletkosten van een partij voor vergoeding in aanmerking kunnen komen.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 19 juli 2013 gegrond;
- vernietigt dat besluit;
- bepaalt dat appellant een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt appellant in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 15,80;
- bepaalt dat van appellant een griffierecht wordt geheven van € 454,-.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en
G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2014.
(getekend) H.J. de Mooij
(getekend) J.C. Hoogendoorn