ECLI:NL:CRVB:2014:4355

ECLI:NL:CRVB:2014:4355, Centrale Raad van Beroep, 23-12-2014, CRvB 13-4616 WWB

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 23-12-2014
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer CRvB 13-4616 WWB
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 4 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0011353

Samenvatting

Herziening en terugvordering bijstand. Naderhand verkregen middelen. Inkomsten uit de algemene heffingskorting worden in mindering gebracht op de ontvangen bijstand.

Uitspraak

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 2 maart 2010 heeft het college appellanten, voor zover hier van belang, met ingang van 5 juni 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend naar de norm voor gehuwden. Bij dit besluit heeft het college appellant op grond van

artikel 55 van de WWB de verplichting opgelegd algemene heffingskorting minst verdienende partner aan te vragen bij de Belastingdienst.

Bij ongedateerd besluit, verzonden 10 augustus 2011, heeft het college het recht op bijstand van appellanten herzien in die zin dat met ingang van 1 januari 2010 de inkomsten uit de algemene heffingskorting van appellant over 2010 daarop in mindering worden gebracht. Het college heeft daarbij een bedrag van € 1.422,51, de inkomsten uit de algemene heffingskorting die nog niet in mindering zijn gebracht op de door hen in 2010 ontvangen bijstand, van appellanten teruggevorderd. Aan deze terugvordering heeft het college

artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB ten grondslag gelegd. Voorts heeft het college bij dit besluit bepaald dat vanwege inkomsten uit de algemene heffingskorting over het jaar 2011 met ingang van 1 juli 2011 € 199,17 per maand in mindering wordt gebracht op de bijstand.

Bij besluit van 18 april 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 10 augustus 2011 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voor zover dat de herziening van de bijstand betreft. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat bij naderhand verkregen middelen geen wettelijke basis bestaat voor herziening. De rechtbank heeft het primaire besluit in zoverre herroepen. Voor het overige heeft de rechtbank het bestreden besluit in stand gelaten.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij hebben daartoe aangevoerd dat zij in 2010 een eigen woning hadden en dat de kosten daarvan niet door middel van een huurtoeslag maar door de belastingteruggave, al dan niet in de vorm van de heffingskorting, gecompenseerd werden. Deze heffingskorting moet op grond van artikel 31, tweede lid, van de WWB niet tot de middelen worden gerekend. Appellanten hebben voorts een beroep gedaan op dringende redenen die voor het college aanleiding hadden moeten zijn om van terugvordering af te zien. Appellanten hebben geen bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag ontvangen. Het college heeft appellanten niet tijdig gewezen op deze mogelijkheid. Zij hebben erop vertrouwd dat de heffingskorting als een woonkostentoeslag zou worden aangemerkt. Door de terugvordering komen appellanten in een nadeliger positie te verkeren dan degenen die een huurtoeslag of woonkostentoeslag ontvangen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB, zoals dat ten tijde in geding luidde, kan het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kosten van bijstand terugvorderen voor zover die bijstand anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen de situatie dat de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 van de WWB beschikt of kan beschikken.

In artikel 31, eerste lid, eerste volzin, van de WWB is bepaald dat tot de middelen alle vermogens- en inkomensbestanddelen worden gerekend waarover de alleenstaande, de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Ingevolge de derde volzin behoort in elk geval tot de middelen de ten aanzien van de alleenstaande, de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen of het gezin toepasselijke heffingskorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder f, van artikel 31 van de WWB worden niet tot de middelen gerekend vergoedingen en tegemoetkomingen, waaronder begrepen de tegemoetkoming ontvangen op grond van het Tijdelijk besluit tegemoetkoming buitengewone uitgaven, voor, alsmede de vermindering of teruggave van, loonbelasting of inkomstenbelasting en van premies volksverzekeringen op grond van kosten die niet tot de algemeen noodzakelijke bestaanskosten behoren, tenzij voor deze kosten bijstand wordt verleend. Het betoog van appellanten dat de heffingskorting op grond hiervan niet tot de middelen moet worden gerekend, slaagt niet. Deze bepaling ziet op buitengewone uitgaven. Ook artikel 31, tweede lid, aanhef en onder e, van de WWB, op grond waarvan eigenwoningbijdrage of een bijzondere bijdrage ontvangen op grond van de Wet bevordering eigenwoningbezit niet tot de middelen worden gerekend, heeft geen betrekking op de heffingskorting die hier aan de orde is. De opsomming van niet in aanmerking te nemen middelen in het tweede lid van artikel 31 van de WWB is limitatief

(Kamerstukken II 2002-2003, 28 870, nr. 3, blz. 56). Voor een analoge toepassing van

artikel 31, tweede lid, aanhef en onder e of f, van de WWB, voor zover daarvoor al aanleiding zou bestaan, is daarom geen ruimte.

Uit het voorgaande volgt dat het college bevoegd was de (alsnog) ontvangen heffingskorting over 2010 en 2011 in mindering te brengen op de over die periode ontvangen bijstand.

De door appellanten aangevoerde omstandigheden leiden niet tot het oordeel dat het college had moeten afzien van terugvordering. Voor de uitleg van dringende redenen heeft het college aansluiting gezocht bij de vaste rechtspraak van de Raad. Deze vaste rechtspraak (ECLI:NL:CRVB:2005:AT2869) houdt in dat dringende redenen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Het achterwege blijven van een aanvraag om bijzondere bijstand voor woonkosten is niet aan te merken als een dergelijk bijzonder geval. Niet is gebleken dat het college bij appellanten de verwachting heeft gewekt dat de belastingteruggave als woonkostentoeslag zou worden aangemerkt.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.5 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2014.

(getekend) M. Hillen

(getekend) C.M. Fleuren

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?