OVERWEGINGEN
1.1. Voor een uitvoerige weergave van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, zoals deze bekend zijn in verband met de aanvraag op 24 augustus 2011 van appellant om een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
(Wet WIA), verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.
1.2. Bij besluit van 3 november 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant geen recht op een uitkering ingevolge de Wet WIA is ontstaan, omdat appellant met ingang van
5 december 2011 minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
1.3. Bij beslissing op bezwaar van 30 maart 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 3 november 2011, onder verwijzing naar de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts van 26 maart 2012 en de bezwaararbeidsdeskundige van
29 maart 2012, ongegrond verklaard.
2.1. De rechtbank heeft het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoende zorgvuldig geacht en heeft zich voorts kunnen stellen achter de conclusies waartoe de bezwaarverzekeringsarts is gekomen met betrekking tot de voor appellant geldende arbeidsbeperkingen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor de conclusie dat er aanwijzingen zijn dat de bezwaarverzekeringsarts de beperkingen van appellant heeft onderschat. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat appellant geen medische stukken heeft overgelegd op grond waarvan geoordeeld moet worden dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn fysieke en psychische klachten.
2.2. De functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd kunnen naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de daaraan verbonden aspecten, als voor appellant passend worden aangemerkt. De stelling van appellant dat die functies niet door hem verricht zullen kunnen worden omdat hij geen zittend of staand werk kan verrichten, niet in staat is gewichten te tillen, minder alert is vanwege medicijngebruik en de Nederlandse taal onvoldoende beheerst, heeft de rechtbank verworpen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de belastbaarheid van appellant vanwege zijn beperkingen ten aanzien van staan, zitten en medicijngebruik niet overschreden wordt. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat uit artikel 9, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten volgt dat de beheersing van de Nederlandse taal beschouwd moet worden als een algemeen gebruikelijke bekwaamheid die binnen zes maanden kan worden verworven. Deze aanname geldt voor functies met opleidingsniveau 1 en de voor appellant geduide functies betreffen functies die vallen onder de categorie functieniveau 1. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de geduide functies volgens de bezwaararbeidsdeskundige geen hoge eisen stellen aan de Nederlandse taalvaardigheid.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat een zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft plaatsgevonden. Evenals in bezwaar en beroep heeft appellant betoogd dat bij het vaststellen van zijn beperkingen onvoldoende rekening is gehouden met zijn lichamelijke en psychische klachten. Hij acht zichzelf vanwege zijn klachten niet in staat tot het vervullen van de geselecteerde functies.
De Raad oordeelt als volgt.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt in essentie een herhaling van gronden die al in beroep zijn aangevoerd. De rechtbank heeft die gronden afdoende besproken en heeft genoegzaam gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. Terecht is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat er geen aanleiding is het medische onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten en te concluderen dat deze de beperkingen van appellant hebben onderschat.
Uitgaande van de juistheid van de door het Uwv vastgestelde beperkingen, kan het oordeel van de rechtbank worden onderschreven dat er geen aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de medische geschiktheid van appellant voor de geduide functies en voorts dat er geen reden is om die functies niet geschikt te achten voor appellant gelet op het opleidingsniveau of de Nederlandse taalvaardigheid.
Uit het overwogene onder 4.1 en 4.3 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2014.
(getekend) M.C. Bruning
(getekend) J.C. Hoogendoorn