OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellante, geboren in 1965, heeft een visuele en auditieve handicap en is daarnaast onder meer bekend met evenwichtsstoornissen en blaasproblematiek waarvoor zij een suprapubische katheter heeft. Zij heeft op 30 mei 2011 bij Argonaut een voorziening aangevraagd in de vorm van een hoog persoonlijk kilometerbudget (pkb).
Naar aanleiding van de aanvraag heeft S. Heemstra, verzekeringsarts, in haar rapport van 6 juni 2011 zich op het standpunt gesteld dat appellante niet zelfstandig kan reizen, maar dat zij wel met begeleiding gebruik kan maken van de trein. Bij het plannen van een reis kan rekening gehouden worden met de noodzaak tot een frequenter bezoek aan het toilet. Heemstra heeft geconcludeerd dat er weliswaar chronisch toetsbare persoonsgebonden beperkingen zijn, maar dat er geen ergonomische en medische redenen zijn vastgesteld waardoor reizen met de trein onmogelijk is. Vervolgens heeft Argonaut de aanvraag bij besluit van 22 juli 2011 afgewezen.
Naar aanleiding van het tegen het besluit van 22 juli 2011 gemaakte bezwaar heeft
C.M. van Mierlo, verzekeringsarts, in een rapport van 19 augustus 2011 geconcludeerd dat er geen medische of ergonomische redenen zijn om van het eerdere oordeel af te wijken. Er is voorts geen sprake van een uitzonderlijke situatie die afwijking van de criteria in het Protocol inzake de afhandeling van indicatie aanvragen hoog persoonlijk kilometerbudget Bovenregionaal Vervoer Gehandicapten van 1 oktober 2007 (Protocol) rechtvaardigt.
Bij besluit van 23 augustus 2011 (bestreden besluit) heeft Argonaut het bezwaar onder verwijzing naar het advies van Van Mierlo ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hierbij heeft de rechtbank onder meer overwogen dat ter zitting namens appellante is erkend dat de verzekeringsartsen over alle relevante informatie beschikten. Ook is overwogen dat het door deze artsen verrichtte onderzoek zorgvuldig is geschied, dat niet gebleken is dat zij van onvoldoende beperkingen zijn uitgegaan en dat niet getwijfeld wordt aan de conclusie van deze artsen dat appellante, ondanks haar beperkingen, in staat is
om - met begeleiding - met de trein te reizen.
Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Aangevoerd is onder meer dat haar medische problemen in onderlinge samenhang moeten worden bezien. Juist het geheel van deze problemen maakt dat zij niet in staat is om met de trein te reizen. Argonaut had hier meer onderzoek naar moeten doen. Daarnaast zou volgens appellante aan een ander persoon, met minder dan wel dezelfde beperkingen, wel een hoog pkb zijn toegekend.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad stelt voorop dat de in het Protocol neergelegde toekenningscriteria de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten gaan.
Het vervoerssysteem Valys met het daarbij behorende (standaard en hoog) pkb heeft, voor zover hier van belang, als uitgangspunt dat een gehandicapte die ook met assistentie door NS Reizigers (NSR) bij het - zonodig per rolstoel - binnengaan en verlaten van de trein, met gebruikmaking van de mogelijkheid om zelf een begeleider mee te nemen en met hulp van de Valyschauffeur bij het afzetten bij en het ophalen van een station, om chronische medische redenen in het geheel niet in staat is om met de trein te reizen, recht heeft op een hoog pkb ter vervanging van de reismogelijkheid per trein. Factoren als gebrek aan ervaring met het Valyssysteem of een uitgebreide vervoersbehoefte spelen op zichzelf in het beoordelingskader van het Protocol in beginsel geen rol.
Uit het Protocol vloeit voort dat Argonaut dient te beoordelen of sprake is van chronische medische beperkingen die de aanvrager verhinderen gebruik te maken van de trein. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld de uitspraken van 2 juli 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD6539 en 24 juni 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3026) dient Argonaut de daarvoor benodigde gegevens te vergaren, maar kan zij daarvoor, binnen redelijke grenzen, een beroep doen op de aanvrager. Uit de onder 1.2 en 1.3 genoemde rapporten van de verzekeringsartsen komt naar voren dat zij de verschillende aspecten van de medische problematiek van appellente in hun beoordeling hebben betrokken ter beantwoording van de vraag of appellante met de trein kan reizen. Het medisch onderzoek voldoet in dit opzicht aan de daaraan uit een oogpunt van zorgvuldigheid te stellen eisen. De beroepsgrond dat Argonaut meer onderzoek had moeten doen slaagt niet.
Uitgaande van het onder 4.3 weergegeven kader, is de Raad op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat appellante op grond van objectieve medische en ergonomische redenen, al dan niet met behulp van een begeleider, geen gebruik zou kunnen maken van de trein. De Raad kent voor dit oordeel doorslaggevende betekenis toe aan de rapporten van de artsen Heemstra en Van Mierlo van 6 juni 2011, onderscheidenlijk 19 augustus 2011. Eveneens wordt van belang geacht dat appellante haar standpunt dat zij door het geheel van de bij haar bestaande klachten niet in staat is om met de trein te reizen, niet met nadere medische stukken heeft onderbouwd. Daar komt bij dat appellante de door haar ter zitting genoemde psychische klachten in bezwaar noch in (hoger) beroep heeft geconcretiseerd.
Voorts is niet gebleken van andere omstandigheden die ertoe zouden moeten leiden dat in het geval van appellante sprake is van een zodanig bijzondere situatie dat zou moeten worden afgeweken van het Protocol.
Ten slotte is naar het oordeel van de Raad geen sprake van een situatie van ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Argonaut heeft voldoende onderzocht en toegelicht dat door appellante een vergelijking wordt gemaakt met een persoon waarbij sprake is van een andere, zwaardere, medische problematiek. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel treft daarom geen doel.
Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet en moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter en M.F. Wagner en
D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2014.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) J.C. Hoogendoorn