OVERWEGINGEN
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Zorg en Zekerheid betoogt in hoger beroep dat de aangevallen uitspraak, inhoudende dat uit het systeem van de wet voortvloeit dat een eenmaal overschreden beslistermijn niet meer kan worden opgeschort, onjuist is. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van
1 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3476, slaagt dit betoog niet.
Zorg en Zekerheid betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat in de beroepsfase sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, omdat betrokkene en zijn gemachtigde broers zijn en de gemachtigde in de periode van
18 mei 2010 tot 17 november 2010 bovendien enig zorgverlener van betrokkene was. Dit betoog slaagt onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad niet (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1588).
Het vorenoverwogene betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet aanleiding om Zorg en Zekerheid te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 487,- voor verleende rechtsbijstand.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
€ 487,-;
- bepaalt dat van Zorg en Zekerheid een griffierecht van € 466,- wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2014.
(getekend) J. Brand
(getekend) I.J. Penning
GdJ