OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 30 mei 2012 heeft het Uwv de uitkering van appellant op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) per 31 juli 2012 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 17 oktober 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besteden besluit ongegrond verklaard.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat zijn psychische stoornis leidt tot verdergaande medische beperkingen dan de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangenomen. Appellant heeft voor onderbouwing van zijn standpunt gewezen op een schrijven van de psychiatrische instelling Bavo Europoort van 18 juni 2013.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.
De hoger beroepsgronden vormen voornamelijk een herhaling van de gronden die appellant in eerste aanleg heeft aangevoerd. Die gronden heeft de rechtbank terecht verworpen.
Met juistheid heeft de rechtbank erop gewezen dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 2 mei 2012 is opgesteld nadat op verzoek van de verzekeringsarts een rapport door H. Kondakҫi, psychiater, was uitgebracht. Met inachtneming daarvan heeft de verzekeringsarts beperkingen in de FML opgenomen voor psychisch belastende activiteiten. Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat het besluit is voorzien van een deugdelijke medische grondslag. Uit het schrijven van 18 juni 2013 van W. van Bergem, als sociaal psychiatrisch verpleegkundige verbonden aan Bavo Europoort, is niet af te leiden dat de FML een onjuist beeld geeft van de beperkingen van appellant op de datum in geding voor het verrichten van arbeid.
De rechtbank heeft evenzeer met juistheid gesteld dat het bestreden besluit ook van een deugdelijke arbeidskundige grondslag is voorzien. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat de in het kader van het arbeidskundig onderzoek door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep aan appellant voorgehouden functies, die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd, zijn aan te merken als arbeid die wat betreft de daarin voorkomende belasting in overeenstemming is met de voor appellant in de FML van 2 mei 2012 vastgestelde beperkingen.
Gezien hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van M. Crum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2015.
(getekend) D.J. van der Vos
(getekend) M. Crum