OVERWEGINGEN
Het Uwv heeft appellante informatie verstrekt over de aan haar betaalde uitkeringen op grond van de Werkloosheidswet, de daarop ingehouden belasting, premies en bijdrage Zorgververzekeringswet in de vorm van een zogenoemde jaaropgaaf 2012. Appellante heeft op 22 februari 2013 schriftelijk bezwaar gemaakt tegen deze jaaropgaaf.
Bij besluit van 8 maart 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard, op de grond dat de jaaropgaaf geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, onder verwijzing naar vaste rechtspraak van deze Raad, overwogen dat het bij een jaaropgaaf gaat om (het verstrekken van) informatie van feitelijke aard, waartegen geen voorziening op grond van de Awb open staat. Volgens de rechtbank heeft het Uwv het bezwaar van appellante terecht
niet-ontvankelijk verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante betoogd dat de aangevallen uitspraak onvoldoende gemotiveerd is, dat de rechtbank met vooringenomenheid heeft gehandeld waardoor er geen sprake is van fair play en dat de gegevens die op de jaaropgaaf 2012 zijn vermeld onjuist zijn.
4. Het Uwv heeft het oordeel van de rechtbank onderschreven.
5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
Het in de aangevallen uitspraak gegeven, goed gemotiveerde, oordeel dat het Uwv het bezwaar van appellante tegen de jaaropgaaf terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wordt onderschreven. Daartoe wordt verwezen naar vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 maart 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA2336). Ter voorlichting van appellante wordt nogmaals, en in aanvulling op wat ter zitting aan de orde is geweest, herhaald dat met de jaaropgaaf 2012 geen beslissing is gegeven over haar rechten of haar rechtspositie.
Er bestaan geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de rechtbank met vooringenomenheid heeft gehandeld als gevolg waarvan sprake zou zijn van strijd met het beginsel van fair play.
Uit 5.1 tot en met 5.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H. Rottier, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2015.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) K. de Jong