ECLI:NL:CRVB:2015:1359

ECLI:NL:CRVB:2015:1359, Centrale Raad van Beroep, 28-04-2015, 13-3622 WWB

Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak 28-04-2015
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 13-3622 WWB
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827

Samenvatting

Intrekking en terugvordering AOI-uitkering. Schending inlichtingenverplichting. Verzwegen bankrekeningen. recht op AOI-uitkering niet vast te stellen.

Uitspraak

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante, geboren [in] 1935, ontving sinds 10 juli 2008 samen met haar echtgenoot [naam echtgenoot O] (O) een Aanvullende inkomensvoorziening voor ouderen (AIO) op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden in aanvulling op hun ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet. O is op 1 april 2012 overleden. Daarop heeft de Svb appellante met ingang van april 2012 een AIO-aanvulling toegekend naar de norm voor een alleenstaande.

Naar aanleiding van een signaal van de Belastingdienst in augustus 2012 dat appellante en O vijf bij de Svb onbekende bankrekeningen hebben of hebben gehad en dat op een van de bankrekeningen in 2008 een bedrag van € 35.000,- stond, heeft de Svb appellante meerdere malen verzocht om informatie over deze rekeningen. Appellante heeft de gevraagde informatie niet verstrekt.

Bij besluit van 9 januari 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 april 2013 (bestreden besluit), heeft de Svb de AIO-uitkering over de periode van 10 juli 2008 tot en met 31 december 2012 ingetrokken en de gemaakte kosten over die periode tot een bedrag van € 27.524,27 van appellante teruggevorderd. Aan de besluitvorming heeft de Svb ten grondslag gelegd dat appellante niet (tijdig) heeft gemeld dat zij meerdere bankrekeningen bezit. Omdat appellante niet de gevraagde informatie heeft verstrekt, kan de Svb haar vermogen en daarmee ook haar recht op AIO-uitkering niet vaststellen met ingang van juli 2008.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (rechtbank) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De te beoordelen periode loopt van 10 juli 2008 tot en met 31 december 2012.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 6 december 2011,

ECLI:NL:CRVB:2011:BU7336) rechtvaardigt het gegeven dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Volgens eveneens vaste rechtspraak (uitspraak van 27 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT6097) moet, mede gelet op artikel 11 van de WWB, de term beschikken zo worden uitgelegd dat deze ziet op de mogelijkheid van een betrokkene de bezitting feitelijk aan te wenden om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.

Vaststaat dat appellante en O als rekeninghouders beschikten over een vijftal niet bij de Svb bekende bankrekeningen en dat op een van de rekeningen op naam van appellante in 2008 een tegoed van € 35.000,- stond. Appellante heeft haar stelling niet aannemelijk gemaakt dat, ondanks het feit dat de laatste bankrekening alleen op haar naam stond, zij als rekeninghouder geen beschikkingsmacht had over het op die rekening staande tegoed. Haar analfabetisme, de taakverdeling binnen het huwelijk, haar leeftijd en haar slechte gezondheid, waarop zij zich beroept, verklaren niet hoe O zonder haar instemming over het tegoed op haar bankrekening kon beschikken.

Niet in geschil is dat appellante en O van de in 4.3 bedoelde bankrekeningen geen melding hebben gemaakt aan de Svb.

Appellante bestrijdt ook niet dat zij de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Zij voert aan dat zij geen weet had van die bankrekeningen en dat haar dit evenzeer vanwege de in 4.3 genoemde omstandigheden en het lange ziekbed dat aan het overlijden van O vooraf is gegaan, niet kan worden aangerekend. Deze beroepsgrond slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 9 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:953) worden in geval van gezinsbijstand de beide in de gezinsbijstand begrepen partners als een eenheid gezien wat hun aanspraken en verplichtingen op grond van de WWB betreft. Daarom kan geen van beide in de gezinsbijstand begrepen partners zich met succes beroepen op onbekendheid met activiteiten en de financiële situatie van de ander. Dit geldt ook voor een AIO-uitkering die op grond van de WWB wordt verstrekt. In wat appellante heeft aangevoerd, heeft de Svb terecht geen aanleiding gezien om op dit uitgangspunt een uitzondering te maken. Immers, eveneens volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 27 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM3133) kan van een schending van de inlichtingenverplichting sprake zijn, ook indien de betrokkene niet kan worden aangerekend dat hij de gegevens waarop de inlichtingenverplichting ziet, niet bij het bijstandverlenend orgaan heeft gemeld.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand in de vorm van een AIO-uitkering indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

Appellante is hierin niet geslaagd. Appellante heeft geen duidelijkheid kunnen verschaffen over de herkomst en de bestemming van het tegoed van € 35.000,- dat in 2008 op de op haar naam staande bankrekening is komen te staan en in november 2009 contant is opgenomen. In beroep heeft appellante weliswaar een verklaring van haar dochter overgelegd dat zij van haar vader in respectievelijk december 2009 € 5.000,-, in 2010 € 10.000,- en in 2011 € 10.000,- in contanten aan schenkingen heeft ontvangen, maar aan deze verklaring kan niet de waarde worden toegekend die appellante daaraan gehecht wenst te zien. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is deze verklaring achteraf op 15 mei 2013 opgesteld en om die reden al niet verifieerbaar. Voorts is deze verklaring ook overigens niet onderbouwd met nadere bewijsstukken. Bovendien beloopt het in de verklaring genoemde bedrag aan schenkingen € 25.000,-. Wat met het resterende bedrag van € 10.000,- is gebeurd, is onduidelijk gebleven. Appellante heeft daarover enkel verklaard dat dat bedrag mogelijk aan haar kleinkinderen is geschonken.

Uit 4.2 tot en met 4.7 volgt dat de Svb bevoegd was de AIO-aanvulling over de periode van 1 juli 2008 tot en met 31 december 2012 in te trekken. Appellante heeft de wijze waarop de Svb van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft gemaakt, niet bestreden.

Appellante heeft ten slotte aangevoerd dat, gelet op haar verslechterde gezondheidssituatie na het overlijden van O, haar hoge leeftijd en haar minimale inkomen, er sprake is van dringende redenen op grond waarvan de Svb van terugvordering had moeten afzien. Voor de uitleg van dringende redenen heeft de Svb aansluiting gezocht bij de vaste rechtspraak van de Raad. Deze vaste rechtspraak (uitspraak van 29 maart 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT2869) houdt in dat dringende redenen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat niet is gebleken dat daarvan in het geval van appellante sprake is. Financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering doen zich bovendien in het algemeen pas voor indien daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. In dat kader heeft de betrokkene als schuldenaar bescherming, of kan hij deze zo nodig inroepen, van de regels over de beslagvrije voet als neergelegd in artikel 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Uit 4.1 tot en met 4.9 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en E.C.R. Schut en

C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2015.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) C.M. Fleuren

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?