OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Appellant woonde in 2011 in Frankrijk en ontving pensioen op grond
van de Algemene Ouderdomswet (AOW) en pensioenen van Grafische bedrijfsfondsen, Centraal Beheer Achmea, Stichting bedrijfstakpensioen- fonds voor de detailhandel, Nationale Nederlanden en Reaal Verzekeringen.
Mede gelet op de met ingang van 1 januari 2006 in werking getreden
Zorgverzekeringswet (Zvw) is appellant door het Zorginstituut als verdragsgerechtigde aangemerkt. Door het bevoegde orgaan (CPAM) is op 11 augustus 2011 bevestigd dat appellant met ingang van 14 december 2010 in Frankrijk is ingeschreven voor medische zorg en dat de kosten voor die zorg ten laste van Nederland komen.
Bij beslissing op bezwaar van 16 juli 2013 (bestreden besluit) heeft het Zorginstituut het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 februari 2013, waarbij de buitenlandbijdrage over 2011 is vastgesteld op € 5.167,67 (nog te betalen € 4.297,67), ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het door appellant gedane beroep op schending van het vertrouwensbeginsel niet slaagt.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat hij door het Zorginstituut onjuist en niet tijdig is geïnformeerd over zijn recht op zorg in Frankrijk en de door hem verschuldigde buitenlandbijdrage. Daardoor was hij niet op de hoogte van de voor hem van belang zijnde consequenties. Bij een juiste voorstelling van zaken, zou hij er destijds voor hebben gekozen om voor 1 juni 2011 van Frankrijk naar Nederland te verhuizen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Het imperatief gestelde in artikel 69 van de Zvw laat het Zorginstituut geen ruimte om in verband met de door appellant aangevoerde omstandigheden dat het Zorginstituut tekort is geschoten in zijn informatieplicht, af te zien van het opleggen van de buitenlandbijdrage. Overigens was informatie over de consequenties van verhuizen van Nederland naar Frankrijk en vice versa voor de verschuldigdheid van de buitenlandbijdrage destijds volgens het Zorginstituut beschikbaar op de internetsite van het Zorginstituut. Indien er bij appellant onduidelijkheid bestond, had het op zijn weg gelegen om hierover nader bij het Zorginstituut te informeren.
Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2015.
(getekend) H.C.P. Venema
(getekend) B. Fotchind