OVERWEGINGEN
1. Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.
2. Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wrakingsregeling bestuursrechterlijke colleges 2013 (Stcrt. 2013, nr. 11425) bepaalt dat de wrakingskamer, zonder daartoe een zitting te houden, kan beslissen dat een verzoek om wraking niet in behandeling wordt genomen indien het verzoek betrekking heeft op het college als zodanig.
3. Verzoeker heeft aan het wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat de Raad blijkens zijn rechtspraak weigert zijn kerntaak ‘recht’ te spreken op basis van waarheidsvinding uit te voeren en dat de Raad blijkens zijn structuur, organisatie en personele bezetting de schijn heeft van niet onafhankelijk en niet onpartijdig. Verzoeker heeft de president van de Raad verzocht het verzoek tot wraking te laten behandelen door een ander beroepscollege.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Gelet op artikel 8:15 van de Awb en artikel 2, tweede lid, van de Wrakingsregeling bestuursrechterlijke colleges 2013 is de wrakingskamer een meervoudige kamer van het college. Aan het verzoek van verzoeker om het wrakingsverzoek te laten behandelen door een ander beroepscollege kan dan ook geen gevolg worden gegeven.
Het wrakingsverzoek is uitdrukkelijk gericht tegen de Raad als college. Gelet op artikel 3, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wrakingsregeling bestuursrechterlijke colleges 2013 bestaat dan ook aanleiding het verzoek om wraking van de rechters niet in behandeling te nemen.
Artikel 8:18, vierde lid, van de Awb bepaalt dat in geval van misbruik de bestuursrechter kan bepalen dat een volgend verzoek niet in behandeling wordt genomen.
Nu verzoeker in dezelfde hogerberoepszaak tot driemaal toe een niet geslaagd verzoek tot wraking heeft gedaan, het tweede wrakingsverzoek gronden bevat die zijn gericht tegen elk lid van de Raad en elke kamer in welke samenstelling dan ook, en het laatste wrakingsverzoek expliciet is gericht tegen de Raad als college, is de conclusie gerechtvaardigd dat verzoeker misbruik maakt van de bevoegdheid wrakingsverzoeken in te dienen. Gelet op het bepaalde in artikel 8:18, vierde lid, van de Awb zal de Raad bepalen dat ook een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in dit hoger beroep niet in behandeling wordt genomen.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- neemt het verzoek om wraking van de Centrale Raad van Beroep niet in behandeling;
- bepaalt dat een volgend verzoek om wraking in zaak 12/5618 AOW niet in behandeling
wordt genomen.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en J.P.M. Zeijen en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2015.
(getekend) J. Brand
(getekend) M.S. Boomhouwer