OVERWEGINGEN
1. Bij beslissing op bezwaar van 5 juli 2012 (bestreden besluit) heeft appellant de afwijzing van een aanvraag van [naam 1] om hulp bij het huishouden op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) gehandhaafd.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van Gelijns tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen. Appellant heeft geen uitvoering gegeven aan de aangevallen uitspraak.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en aangevoerd, voor zover nog van belang, dat hulp bij het huishouden binnen een instelling als [instelling 1], waar [naam 2] tot aan haar overlijden verbleef, als algemeen gebruikelijk moet worden beschouwd. Betrokkenen hebben dit standpunt van appellant in hoger beroep gemotiveerd bestreden.
4. Ter zitting van de Raad van 20 juli 2014 zijn partijen overeengekomen dat appellant 2,5 uur per week huishoudelijke hulp toekent tot de datum van overlijden van [naam 2].
5. Appellant heeft de Raad verzocht alsnog uitspraak te doen over de vraag of de huishoudelijke hulp als algemeen gebruikelijk moet worden aangemerkt. De Raad ziet zich gelet op dit verzoek geplaatst voor de vraag of appellant procesbelang heeft behouden bij een inhoudelijke beoordeling van de aangevallen uitspraak. In vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 18 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1874) is neergelegd dat eerst sprake is van (voldoende) procesbelang indien het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.
6. Desgevraagd heeft appellant aangevoerd dat hij belang heeft gehouden bij een oordeel over de aangevallen uitspraak met betrekking tot de principiële vraag of huishoudelijke hulp voor bewoners van [instelling 2] een algemeen gebruikelijke voorziening is in verband met toekomstige aanvragen om hulp bij het huishouden van andere bewoners van[instelling 1].
7. De Raad is van oordeel dat hierin onvoldoende procesbelang is gelegen. De wens van appellant dat de Raad een principiële uitspraak doet met het oog op mogelijk vergelijkbare situaties in de toekomst, is onvoldoende om procesbelang aan te nemen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 23 augustus 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB2746). De verwijzing door appellant naar de uitspraak van de Raad van 11 september 2013 (ECLI:NL:CRVN:2013:1737) maakt dit oordeel niet anders. In dat geval ging het immers om toekomstige aanvragen voor vergelijkbare zorg van dezelfde betrokkene terwijl het in dit geval gaat om aanvragen om vergelijkbare zorg van andere bewoners van [instelling 1] dan [naam 2].
8. Het vorenstaande betekent dat met de getroffen schikking het procesbelang bij het hoger beroep is komen te vervallen zodat het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
9. De Raad ziet aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van betrokkenen in hoger beroep. Deze worden overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.217,50. Bij de berekening is ten aanzien van de proceshandelingen nadere zitting en schriftelijke reactie wegingsfactor 0,5 toegepast.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel, in tegenwoordigheid van
B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2015.
(getekend) W.H. Bel
(getekend) B. Fotchind
nk