OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Bij besluit van 29 april 2009 heeft het college de bijstand van appellant per 10 november 2008 ingetrokken en de over de periode van 10 november 2008 tot en met 28 februari 2009 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 3.568,66 van appellant teruggevorderd. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden als gevolg waarvan het recht op bijstand niet is vast te stellen. Tegen het besluit van 29 april 2009 heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend zodat dit besluit in rechte onaantastbaar is.
Bij brief van 14 maart 2013 heeft het college aan appellant een opgave gedaan van het saldo van de nog openstaande vordering per 31 december 2012. Appellant heeft daartegen op 19 maart 2013 bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 7 mei 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de brief van 14 maart 2013 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij stelt zich, samengevat, op het standpunt dat hij geen fraude heeft gepleegd en dat hij de op hem rustende inlichtingenverplichting niet heeft geschonden omdat hij woonachtig was op het opgegeven uitkeringsadres.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Vaststaat dat het college bij besluit van 29 april 2009 een bedrag van € 3.568,66 van appellant heeft teruggevorderd. Gelet hierop dient de brief van 14 maart 2013 met een opgave van het saldo van de nog openstaande vordering te worden aangemerkt als een - niet op rechtsgevolg gerichte - mededeling van informatieve aard. Deze mededeling is dus geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het college heeft daarom het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. De door appellant aangevoerde beroepsgronden die zien op het besluit van 29 april 2009 had appellant destijds in een procedure tegen dat besluit moeten aanvoeren.
Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel en J.T.H. Zimmerman en
J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2015.
(getekend) W.H. Bel
(getekend) C.M.A.V. van Kleef