OVERWEGINGEN
Appellante ontvangt vanaf 12 januari 2012 van het Uwv een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
Bij besluit van 12 oktober 2012 heeft het Uwv de uitbetaling van de WIA uitkering verlaagd naar een bedrag van € 724,27 per maand. Daarbij is mededeling gedaan van een door Vaessen & Kerckhoffs Gerechtsdeurwaarders gelegd beslag en toepassing van de beslagvrije voet.
Bij besluit van 31 oktober 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 12 oktober 2012 ongegrond verklaard. Hieraan ligt het standpunt ten grondslag dat executoriaal beslag onder derden is geregeld in de artikelen 475 en volgende van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Hierin zijn onder meer voorschriften gegeven over de wijze waarop een deugdelijk beslag wordt gelegd, de omvang daarvan en de gevolgen voor de daarbij betrokkenen. Op grond van artikel 475g, eerste lid, Rv doet de deurwaarder mededeling van de beslagvrije voet aan de schuldenaar. Verder is van belang dat de derde-beslagene (in dit geval het Uwv) op grond van artikel 477, eerste lid Rv, verplicht is om de volgens de bij de beslaglegging opgemaakte verklaring verschuldigde geldsommen aan de deurwaarder te voldoen. Het Uwv is dan ook gehouden medewerking te verlenen aan het beslag en het ligt niet op de weg van het Uwv om de geldigheid van het door de deurwaarder gelegde beslag te beoordelen. Het Uwv dient echter wel bij het nemen van de betalingsbeslissing te blijven binnen het kader van het beslag. Aangezien de uitbetaalde netto uitkering van € 724,72 gelijk is aan de door de deurwaarder vastgestelde beslagvrije voet blijft de betalingsbeslissing binnen het kader van het beslag.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad van 2 juli 2007 (ECLI:NL:CRVB:2007:BA8609) overwogen dat het Uwv gehouden is om medewerking te verlenen aan het gelegde executoriale beslag en dat het aan de burgerlijke rechter voorbehouden is om eventueel een oordeel te vellen over de geldigheid van het beslag. Bij de beoordeling van een betalingsbeslissing als de onderhavige moet het gelegde beslag als een gegeven worden aanvaard en dient de bestuursrechter zijn toetsing te beperken tot het beantwoorden van de vraag of het bestuursorgaan bij het nemen van de betalingsbeslissing binnen het kader van het beslag is gebleven. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv bij de beslaglegging rekening heeft gehouden met de door de deurwaarder vastgestelde beslagvrije voet en daardoor binnen het kader van het beslag is gebleven. Tot slot heeft de rechtbank, onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad van
25 juli 2008 (ECLI:NL:CRVB:2008:BD9586), overwogen dat ingeval van samenloop bij een verrekening door het Uwv en een inhouding in het kader van een derdenbeslag, het Uwv rekening dient te houden met de beslagvrije voet, hetgeen het Uwv naar het oordeel van de rechtbank heeft gedaan.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd en zich op het standpunt gesteld dat het loonbeslag onrechtmatig is, de beslagvrije voet onjuist is vastgesteld en voorts dat het Uwv appellante had moeten doorverwijzen naar de burgerlijke rechter.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Met de rechtbank wordt op grond van gelijke overwegingen geoordeeld dat het Uwv gehouden was medewerking te verlenen aan het executoriale besluit en voorts dat het Uwv met de betalingsbeslissing binnen het kader van het beslag is gebleven.
Hetgeen overigens door appellante in hoger beroep is aangevoerd geeft geen aanleiding om anders te beslissen dan de rechtbank heeft gedaan.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en H.G. Rottier en E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2015.
(getekend) M. Greebe
(getekend) V. van Rij