OVERWEGINGEN
Appellante ontvangt vanaf 12 januari 2012 van het Uwv een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
Bij besluiten van 15 juli 2013 (besluit 1), 17 juli 2013 (besluit 2), 8 augustus 2013 (besluit 3), 15 augustus 2013 (besluit 4) en 5 september 2013 (besluit 5) heeft het Uwv in verband met derdenbeslag dat is gelegd op haar WIA-uitkering de hoogte van het bedrag aan uitkering, dat zij in verband met deze derdenbeslagen nog zal ontvangen gesteld op € 833,83 en is vastgesteld dat per maand € 461,17 zal worden overgemaakt aan de beslaglegger.
Bij besluit van 17 oktober 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen besluit 3 niet-ontvankelijk en de bezwaren tegen de overige besluiten ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad van 2 juli 2007 (ECLI:NL:CRVB:2007:BA8609), overwogen dat het Uwv gehouden is om medewerking te verlenen aan het gelegde executoriale beslag en dat het aan de burgerlijke rechter voorbehouden is om een eventueel oordeel te vellen over de geldigheid van het beslag. Bij de beoordeling van een betalingsbeslissing als de onderhavige moet het gelegde beslag als een gegeven worden aanvaard en dient de bestuursrechter zijn toetsing te beperken tot het beantwoorden van de vraag of het bestuursorgaan bij het nemen van de betalingsbeslissing binnen het kader van het beslag is gebleven. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv bij de beslaglegging rekening heeft gehouden met de door de deurwaarders en de gemeente Sittard-Geleen vastgestelde beslagvrije voet en daardoor binnen het kader van het beslag is gebleven. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat hetgeen appellante in beroep heeft aangevoerd over de juistheid van de beslagen van de gemeente Sittard-Geleen en Nedland buiten de omvang van het geschil valt en dat dit eveneens geldt voor een eventueel beslag door Obvion.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd en in essentie gelijke gronden als in beroep aangevoerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Met de rechtbank en op grond van gelijke overwegingen wordt geoordeeld dat het Uwv gehouden was medewerking te verlenen aan de executoriale besluiten en voorts dat het Uwv met de betalingsbeslissingen binnen het kader van het beslag is gebleven.
Hetgeen overigens door appellante in hoger beroep is aangevoerd geeft geen aanleiding om anders te beslissen dan de rechtbank heeft gedaan.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en H.G. Rottier en E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2015.
(getekend) M. Greebe
(getekend) V. van Rij