OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 25 april 2012 heeft het Uwv de aanvraag van appellant van 5 januari 2012 om een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) buiten behandeling gesteld. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is met een gewijzigde motivering bij besluit van 28 augustus 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij is meegedeeld dat appellant niet in aanmerking komt voor een WAO-uitkering, omdat hij ter zake van de ziekmelding van 16 december 1991 niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest, nu hij per 12 maart 1992 hersteld verklaard is. Ter zake van de melding bij la Caisse Nationale de Sécurité Sociale (het CNSS) op 17 juli 1992 is in het bestreden besluit overwogen dat hij op dat moment niet meer verzekerd was voor de Nederlandse arbeidsongeschiktheidswetten. Aan het bestreden besluit wordt het volgende ontleend.
“Gelet op de thans beschikbare gegevens zijn wij van mening dat wij een uitspraak kunnen doen over uw recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Uit die gegevens blijkt het volgende:
- Op 19 juli 1991 bent u in dienst getreden bij de Gebroeders [naam] te
[woonplaats 2]
geweest. Hoewel hierbij geen ingangsdatum staat vermeld, kan hieruit geconcludeerd
worden dat u in elk geval op 12 maart 1992 niet meer arbeidsongeschikt was.
- Niet blijkt dat u op of na 12 maart 1992 nog werkzaam bent geweest in Nederland of
een WW-uitkering heeft genoten
Ter zake van de ziekmelding van 16 december 1991 bent u niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt geweest en kunt u om die reden geen aanspraak maken op een arbeidsongeschiktheidsuitkering; u was in elk geval op 12 maart 1992 niet meer arbeidsongeschikt.
Ter zake van de melding bij het CNSS op 17 juli 1992 stellen wij ons op het standpunt dat u op dat moment niet meer verzekerd was voor de Nederlandse arbeidsongeschiktheidswetten en u om die reden, zo u al arbeidsongeschikt was, niet in aanmerking kunt komen voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering:
Hoewel de exacte datum van vertrek uit Nederland niet berekend is, er wordt gesproken over april 1992, kunnen wij vaststellen dat u dan in elk geval voor 1 mei 1992 geen ingezetene meer was en u vanaf die datum niet meer verzekerd was voor de AAW.
De verzekering voor de WAO eindigde, op basis van de beschikbare gegevens, uiterlijk op 12 april 1992. De melding van 17 juli 1992 bij het CNSS ligt buiten de verzekerde periode.”
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Appellant heeft in hoger beroep de gronden van het bezwaar en beroep herhaald. Appellant voert aan dat hij nog steeds ziek is, dat zijn gezondheid is verslechterd en dat hij volledig arbeidsongeschikt is. Voorts heeft appellant aangevoerd dat het Uwv ten onrechte geen medisch onderzoek heeft verricht voor de beoordeling van de aanvraag van de
WAO-uitkering.
Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad moet bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid voorop worden gesteld dat een dergelijke beoordeling problematisch kan zijn bij een vaststelling van arbeidsongeschiktheid die ziet op een al lang verstreken datum of periode. Als dit het gevolg is van een zeer late aanvraag of zeer laat verzoek van een betrokkene, dan kan het Uwv niet aangerekend worden dat de gebruikelijke wijze van onderzoek niet kan worden gehandhaafd. Het ligt dan in de risicosfeer van de aanvrager dat zijn gezondheidstoestand op een tijdstip of gedurende een periode in een ver verleden niet meer goed vast te stellen is. Een zodanige situatie is in dit geval aan de orde, nu appellant eerst ruim twintig jaar na zijn ziekmelding in 1991 een aanvraag om een WAO-uitkering heeft ingediend.
Met betrekking tot de WAO-aanspraken naar aanleiding van de ziekmelding van
16 december 1991
Artikel 19, eerste lid, van de WAO bepaalt dat de verzekerde recht heeft op toekenning van uitkering zodra hij onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest en na afloop nog arbeidsongeschikt is. Uit de rechtspraak van de Raad (ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0780 en ECLI:NL:CRVB:2014:3938) volgt dat de beantwoording van de vraag of de wachttijd is vervuld een zelfstandige beoordeling vereist op basis van alle beschikbare gegevens van medische en andere aard, waarbij eventuele eerdere tijdens de wachttijd plaatsgevonden hersteldverklaringen betrokken (kunnen) worden. Dit betekent dat aan de hersteldverklaring van appellant op zichzelf in dit verband geen doorslaggevende betekenis moet worden toegekend.
Het Uwv heeft bij het nemen van het bestreden besluit zich niet op andere gegevens gebaseerd dan de hersteldverklaring met ingang van 12 maart 1992 in het kader van de Ziektewet. Ter zitting is door het Uwv bevestigd dat ten onrechte in het onderhavige geval geen aanleiding is gezien tot een zelfstandige beoordeling van het al dan niet volbrengen van de wachttijd.
Uit 4.2.1 en 4.2.2 vloeit voort dat de Raad, anders dan de rechtbank, een gebrek ziet aan het bestreden besluit, te weten dat dit besluit niet kan worden gedragen door de gegeven motivering en dat dit derhalve niet deugdelijk is onderbouwd. Zonder een zelfstandige beoordeling van het al dan niet volbrengen van de wachttijd en de mogelijk daaruit voortvloeiende gevolgen voor de aanspraken van appellant op grond van de WAO is een finale beslechting van het geschil niet mogelijk. De Raad ziet hierin aanleiding het Uwv op te dragen dit gebrek te herstellen.
Met betrekking tot de WAO-aanspraken naar aanleiding van de melding bij het CNSS op
17 juli 1992.
Uit de beschikbare gegevens is het Uwv niet gebleken dat appellant op of na
12 maart 1992 nog werkzaam is geweest in Nederland, een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet heeft genoten dan wel anderszins verzekerd was voor de Nederlandse arbeidsongeschiktheidswetten. Derhalve komt appellant reeds op die grond naar aanleiding van zijn melding bij het CNSS op 17 juli 1992 niet in aanmerking komt voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering, zo hij niet vanaf 16 december 1991 doorlopende arbeidsongeschikt is geweest.
Evenals de rechtbank heeft ook de Raad geen aanknopingspunt gevonden voor twijfel aan het standpunt van het Uwv. Appellant heeft dit standpunt van het Uwv niet betwist noch stukken overgelegd waaruit zou moeten blijken dat hij ten tijde hier van belang wel verzekerd was. Reeds om die reden was er geen aanleiding voor het Uwv voor een nader medisch onderzoek naar aanleiding van deze melding bij het CNSS op 17 juli 1992.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op het in overwegingen 4.2.1 en 4.2.2 geconstateerde gebrek van het bestreden besluit binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak te herstellen.
Deze uitspraak is gedaan door H. van Leeuwen, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2015.
(getekend) H. van Leeuwen
(getekend) V. van Rij