OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 18 april 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 mei 2014 (bestreden besluit), heeft Argonaut de aanvraag van appellant om zijn persoonlijk kilometerbudget om te zetten in een hoog persoonlijk kilometerbudget afgewezen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Ter zitting van de Raad is gebleken dat appellant incontinent is, niet alleen voor urine, maar ook voor ontlasting. Naar aanleiding van deze - voor Argonaut nieuwe - informatie heeft Argonaut nader onderzoek verricht en bij besluit van 8 april 2015 aan appellant met ingang van 1 januari 2015 een hoog persoonlijk kilometerbudget toegekend. Hiermee is Argonaut tegemoet gekomen aan het hoger beroep van appellant.
Appellant heeft zijn hoger beroep niet ingetrokken en de Raad verzocht toch uitspraak te doen omdat hij meent dat een duidelijke uitspraak van de Raad kan voorkomen dat door de werkwijze van Argonaut nog méér personen het slachtoffer worden van oneigenlijke argumentatie en verdraaiingen.
De Raad ziet zich door dit verzoek geplaatst voor de vraag of appellant procesbelang heeft behouden bij een inhoudelijke beoordeling van de aangevallen uitspraak. In vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 18 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1874) is neergelegd dat eerst sprake is van (voldoende) procesbelang indien het resultaat dat de indiener van bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener zelf feitelijke betekenis kan hebben. Het hebben van een formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.
De Raad is van oordeel dat in dit geval sprake is van onvoldoende procesbelang. De wens van appellant dat de Raad een principiële uitspraak doet met het oog op mogelijk vergelijkbare situaties in de toekomst voor anderen dan appellant, is onvoldoende om procesbelang aan te nemen.
Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskostenbestuursrecht kan een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht uitsluitend betrekking hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Niet in geding is dat
Van Elk niet beroepsmatig rechtsbijstand heeft verleend. In verband met het bepaalde onder c van dit artikel komen reis- en verblijfkosten uitsluitend voor vergoeding in aanmerking als deze gemaakt zijn door een partij of belanghebbende. Omdat Van Elk niet is aan merken als partij of belanghebbende komen de door hem opgevoerde eis- en verblijfkosten niet voor vergoeding in aanmerking.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2015.
(getekend) H.C.P. Venema
(getekend) B. Fotchind