OVERWEGINGEN
1. Appellante heeft in haar brief van 9 juni 2015, samengevat, toegelicht dat zij het hoger beroep heeft ingetrokken omdat zij geen antwoord had gekregen op haar bij brief van 6 april 2015 aan de Raad gestelde vraag of bij de behandeling van haar hoger beroep ook nieuwe medische verslagen in de beoordeling zouden worden betrokken. Omdat zij in dezelfde periode ook op een hoorzitting van het Uwv zou verschijnen wilde zij de zaken niet parallel laten lopen. Vanwege de psychische belasting die een nieuwe, lange procedure bij het Uwv zal vergen, heeft zij op 9 juni 2015 gemeld alsnog haar beroep bij de Raad te willen doorzetten.
2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad kan een bevoegdelijk gedane intrekking van een beroep na het verstrijken van de beroepstermijn niet meer ongedaan worden gemaakt, tenzij sprake is van betrokkene niet toe te rekenen omstandigheden, waardoor hij in een situatie van dwaling verkeerde of blijkt van dwang of bedrog van enige zijde teneinde de betrokkene ertoe te bewegen het beroep in te trekken (ECLI:NL:CRVB:2005:AT4963, ECLI:NL:CRVB:2007:BA5872).
Voor dit geval is van belang dat appellante weliswaar een veelheid aan klachten kent, zoals uit de door haar ingezonden medische gegevens blijkt, waaronder de vaststelling dat zij lijdt aan het syndroom van Asperger, maar dat uit die gegevens niet aannemelijk wordt dat zij niet in staat is haar belangen zelf dan wel door anderen te laten behartigen. Uit wat appellante over de intrekking van haar hoger beroep heeft gemeld en ter zitting heeft toegelicht moet worden geconcludeerd dat appellante bewust tot intrekking van het hoger beroep heeft besloten, en na enkele weken daarvan spijt kreeg. Dat kan niet als een situatie van dwaling als in 2.1 bedoeld worden aangemerkt. Daarbij komt dat appellante zich aanvankelijk had voorzien van juridische bijstand en zij, toen deze zich had teruggetrokken, vanaf januari 2015 is bijgestaan door [naam] . Niet valt in te zien dat appellante zonder dat het haar is toe te rekenen geen gebruik heeft gemaakt van deze of andere begeleiding bij de afweging om de procedure door te zetten. Ook anderszins is van wilsgebreken bij appellante niet gebleken.
Uit 2.1 en 2.2 volgt dat het hoger beroep rechtsgeldig is ingetrokken en dat die intrekking niet, zoals appellante beoogt, na het verstrijken van de hoger beroepstermijn ongedaan kan worden gemaakt. Dit betekent dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van
C. M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2015.
(getekend) J.S. van der Kolk
(getekend) C.M.A.V. van Kleef