OVERWEGINGEN
1. Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Blijkens de memorie van toelichting bij artikel 8:15 van de Awb is de ratio van het instituut van wraking gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid.
2. Verzoeker heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat mr. Van Vulpen-Grootjans als voorzitter betrokken is geweest bij twee andere zaken waarin een kwestie aan de orde was die ook centraal staat in het hoger beroep van verzoeker (Harmonisatie arbeidsvoorwaarden politie tweede tranche). Ter zitting van 3 september 2015 heeft verzoeker om die reden meegedeeld het niet prettig te vinden dat mr. Van Vulpen-Grootjans optreedt als voorzitter in dit hoger beroep. Mr. Van Vulpen-Grootjans heeft, hoewel zij in eerste instantie opmerkte zich daar iets bij te kunnen voorstellen, na een korte schorsing van het onderzoek ter zitting zonder nadere toelichting meegedeeld dat de kamer de bezwaren van verzoeker niet deelt. Uit het ontbreken van een goede toelichting kan de schijn van partijdigheid worden afgeleid.
Een wrakingsgrond moet zijn gelegen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op (de persoon van) de rechters die de zaak behandelen. Bij een beoordeling van een beroep op het ontbreken van de onpartijdigheid van de rechter dient voorts het uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9141).
Het is vaste rechtspraak van de Raad dat de onpartijdigheid van een rechter niet reeds te lijden heeft enkel door de omstandigheid dat die rechter al eerder in een of meer andere gedingen over de in geschil zijnde rechtsvraag heeft geoordeeld (CRvB 18 december 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG8693, en CRvB 1 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1504). Er bestaat geen aanleiding om daar in deze zaak anders over te oordelen. Het ontbreken van een, naar verzoeker stelt, goede toelichting op de beslissing van de meervoudige kamer om de behandeling van het hoger beroep in ongewijzigde samenstelling voort te zetten, maakt dit, gezien het in 3.1 weergegeven uitgangspunt, niet anders.
4. Gelet op de door verzoeker aan het wrakingsverzoek ten grondslag gelegde gronden is de conclusie gerechtvaardigd dat verzoeker misbruik maakt van de bevoegdheid wrakingsverzoeken in te dienen. Gelet op het bepaalde in artikel 8:18, vierde lid, van de Awb wordt bepaald dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in dit hoger beroep niet in behandeling wordt genomen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en W.H. Bel en R.E. Bakker als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2015
(getekend) J.P.M. Zeijen
(getekend) W. de Braal