OVERWEGINGEN
1. Artikel 8:15 van de Awb bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uit de memorie van toelichting bij artikel 8:15 van de Awb blijkt dat de ratio van het instituut van wraking is gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid.
2. Verzoekster heeft aan het verzoek om wraking, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Volgens verzoekster bestaan er ernstige bezwaren tegen Van der Meer als gemachtigde, aangezien hij in eerdere gedingen bewust stukken heeft achtergehouden en onjuiste informatie heeft verstrekt. Van deze feiten heeft verzoekster aangifte gedaan. Het is volgens verzoekster onbegrijpelijk dat mr. Van der Kris het verzoek om toepassing van
artikel 8:25, eerste lid, van de Awb zonder motivering heeft afgewezen. Verder heeft verzoekster erop gewezen dat mr. Van der Kris heeft nagelaten het Uwv te verplichten de in de dossiers ontbrekende stukken alsnog over te leggen. Daarnaast heeft verzoekster naar voren gebracht dat mr. Van der Kris werkzaam is geweest bij GAK Nederland B.V., dat later is opgegaan in het Uwv, zodat zij Van der Meer mogelijk als een ex-collega kan zien. Ook heeft verzoekster naar voren gebracht dat mr. Van der Kris betrokken is geweest bij uitspraken van de Raad in zaken over het zogeheten project herbeoordeling ZZP-dossiers. Bij die uitspraken is ten onrechte niet ingegaan op door medewerkers van het Uwv, waaronder Van der Meer, ook in die zaken gepleegde fraude. Volgens verzoekster is bij mr. Van der Kris sprake van een subjectieve houding en bestaat er ernstige twijfel aan haar integriteit. Verzoekster wenst een nadere verklaring voor de houding en het vreemde gedrag van
mr. Van der Kris. Zij heeft daarnaast de wrakingskamer verzocht om aangifte te doen van de door mr. Van der Kris en door andere rechters van de Raad gepleegde ambtsmisdrijven.
Een wrakingsgrond moet zijn gelegen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op (de persoon van) de rechters die de zaak behandelen. Bij een beoordeling van een beroep op het ontbreken van de onpartijdigheid van de rechter dient verder het uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is
(zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9141).
De beslissing om al dan niet toepassing te geven aan artikel 8:25, eerste lid, van de Awb is een zogeheten procedurele beslissing. Dit geldt ook voor het al dan niet opvragen van aanvullende stukken bij het bestuursorgaan. Het is vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 29 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2109) dat wraking niet is bedoeld als rechtsmiddel tegen procedurele beslissingen. Deze beslissingen kunnen slechts leiden tot toewijzing van een wrakingsverzoek als daaruit blijkt van vooringenomenheid van de rechter die de beslissingen heeft genomen. Van een blijk van vooringenomenheid is in dit geval geen sprake, te minder nu de beslissing van 24 augustus 2015, zoals ook uitdrukkelijk blijkt uit de reactie van mr. Van der Kris op het wrakingsverzoek, slechts een voorlopig karakter had. De omstandigheid dat mr. Van der Kris in het verleden werkzaam is geweest bij een rechtsvoorganger van het Uwv, vormt op zichzelf geen grond voor wraking. Verzoekster heeft in dit verband geen concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit
(de schijn van) vooringenomenheid zou kunnen worden afgeleid. Verder kan de enkele omstandigheid dat een rechter in eerdere, soortgelijke zaken uitspraak heeft gedaan, al of niet onder verwijzing naar vaste rechtspraak van het college waarvan hij deel uitmaakt, niet worden gerekend tot feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Ook in dit verband zijn geen concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit (de schijn van) vooringenomenheid zou kunnen worden afgeleid. Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om wraking moet worden afgewezen.
4. Gelet op de door verzoekster gebruikte argumenten, in combinatie met het gegeven dat verzoekster uit de behandeling van een eerder wrakingsverzoek, dat geleid heeft tot de uitspraak van de Raad van 14 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX2480, ermee bekend is dat het wrakingsinstrument niet is bedoeld voor het aanvechten van procedurele beslissingen, wordt geconcludeerd dat verzoekster misbruik maakt van de mogelijkheid wrakingsverzoeken in te dienen. Er is dan ook aanleiding gebruik te maken van de in artikel 8:18, vierde lid, van de Awb gegeven bevoegdheid om te beslissen dat een volgend verzoek van verzoekster om wraking in de onderhavige procedures niet in behandeling wordt genomen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- wijst het verzoek om wraking van mr. A.I. van der Kris af;
- bepaalt dat een volgend verzoek van verzoekster om wraking in de onderhavige procedures
niet in behandeling wordt genomen.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en E.J.M. Heijs en
J.F. Bandringa als leden, in tegenwoordigheid van A. Stuut als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 november 2015.
(getekend) A. Beuker-Tilstra
(getekend) A. Stuut