OVERWEGINGEN
1. Voor een uiteenzetting van de feiten waarvan hij bij zijn oordeelsvorming uitgaat, verwijst de Raad naar zijn tussenuitspraak van 31 maart 2015. Hij volstaat hier met het volgende.
Bij beslissing op bezwaar van 21 maart 2012 (bestreden besluit) heeft het college het besluit van 6 oktober 2011, inhoudende een afwijzing van de aanvraag van appellant om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), gehandhaafd. Hieraan ligt ten grondslag dat appellant onvoldoende medewerking heeft verleend die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de WWB, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.
In de tussenuitspraak is geoordeeld dat het college de aanvraag om bijstand ten onrechte heeft afgewezen. Appellant kan niet worden verweten dat hij geen gehoor heeft gegeven aan de uitnodiging van het college om op 6 oktober 2011 voor een gesprek bij de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Rotterdam te verschijnen. Dit betekent dat niet kan worden geoordeeld dat appellant onvoldoende medewerking heeft verleend die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de WWB. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Hieruit vloeit voort dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en dat, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond zal verklaren en dit besluit zal vernietigen. De Raad heeft het college opgedragen het geconstateerde gebrek te herstellen en een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, waarbij de aanvraag van appellant inhoudelijk wordt behandeld.
Bij nader besluit van 4 juni 2015 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van
6 oktober 2011 (opnieuw) ongegrond verklaard. Hiertoe heeft het college, samengevat, geconcludeerd dat appellant onvoldoende heeft voldaan aan zijn inlichtingenverplichting waardoor zijn feitelijke woonsituatie onduidelijk is gebleven en dat het recht op bijstand niet is vast te stellen.
Het besluit van 4 juni 2015 wordt, gelet op de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb, mede in de beoordeling betrokken.
3. In zijn zienswijze betwist appellant dat hij zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het in de tussenuitspraak neergelegde oordeel had volgens appellant ertoe moeten leiden dat het college de aanvraag alsnog inhoudelijk had beoordeeld en dat hem alsnog bijstand was toegekend.
4. Het college heeft bij besluit van 4 juni 2015 het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 oktober 2011 zonder een inhoudelijke behandeling van de aanvraag van appellant op een andere grond (opnieuw) ongegrond verklaard. Dit betekent dat het college niet op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de tussenuitspraak. Het college was bij de tussenuitspraak immers opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, waarbij de aanvraag van appellant inhoudelijk diende te worden behandeld. Aan deze opdracht heeft het college niet voldaan. Hieruit volgt dat ook het beroep tegen het besluit van 4 juni 2015 gegrond moet worden verklaard en dat dit besluit moet worden vernietigd. De Raad ziet nu geen mogelijkheden meer binnen zijn bereik tot definitieve beslechting van het geschil. Het college zal daarom worden opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
5. Wat in de tussenuitspraak en in deze uitspraak is overwogen leidt tot de hieronder vermelde beslissing.
6. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de door het college te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.
7. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 980,- in beroep en op € 1.225,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.205,-.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen de besluiten van 21 maart 2012 en 4 juni 2015 gegrond en
vernietigt deze besluiten;
- draagt het college op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van
deze uitspraak en bepaalt dat tegen het te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan
worden ingesteld;
- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.205,-;
- bepaalt dat het college het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van
in totaal € 160,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en W.H. Bel en
M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 november 2015.
(getekend) A.B.J. van der Ham
(getekend) R.G. van den Berg