OVERWEGINGEN
Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Blijkens de memorie van toelichting bij artikel 8:15 van de Awb is de strekking van het middel van wraking gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid.
Ingevolge artikel 8:16, eerste lid, van de Awb wordt het verzoek om wraking gedaan, zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.
2. Verzoeker heeft aan zijn verzoek om wraking van de behandelend rechters ten grondslag gelegd dat sprake is van een voorkeursbehandeling van bestuursorganen als het college en het Zorginstituut. In dit verband heeft verzoeker er onder meer op gewezen dat de Raad de stukken heeft geaccepteerd die het Zorginstituut enkele dagen voor de zitting heeft toegezonden. Voor mr. De Vries geldt volgens verzoeker daarnaast dat uit de uitspraak van
26 augustus 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5891, waarbij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is verzocht om een prejudiciƫle beslissing, blijkt dat sprake is van partijdigheid van mr. De Vries omdat in die uitspraak onjuiste gegevens zijn opgenomen. Ten aanzien van mr. Simon heeft verzoeker naar voren gebracht dat diens partijdigheid tevens blijkt uit geschriften van zijn hand.
Een wrakingsgrond moet zijn gelegen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op (de persoon van) de rechters die de zaak behandelen. Bij een beoordeling van een beroep op het ontbreken van de onpartijdigheid van de rechter dient voorts het uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is
(zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9141).
De beslissing om stukken - ook al zijn deze buiten de tiendagentermijn ontvangen - toch aan het dossier toe te voegen, is een zogeheten procedurele beslissing. Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld CRvB 17 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP8906) is wraking niet bedoeld als rechtsmiddel tegen procedurele beslissingen en kunnen deze beslissingen slechts leiden tot toewijzing van een wrakingsverzoek als uit de procedurele beslissing blijkt van vooringenomenheid van de rechters die deze beslissing hebben genomen. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 11 juli 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:2372) is daarvan bij procedurele beslissingen van een meervoudige kamer in het algemeen geen sprake. Dat is in het geval van verzoeker niet anders, te minder nu uit de brief van 10 november 2015 blijkt dat de behandelend rechters nog geen beslissing hadden genomen over het al dan niet toelaten van de door het Zorginstituut toegezonden stukken. Verzoeker is hierin immers gewezen op het feit dat ter zitting met partijen zou worden besproken of de buiten de termijn ingediende stukken in de beoordeling zouden mogen worden betrokken. Voorts is verzoeker meegedeeld dat als hij niet zou verschijnen, de Raad in de geuite bezwaren aanleiding ziet om de stukken buiten beschouwing te laten.
Voor de overige door verzoeker naar voren gebrachte wrakingsgronden geldt dat verzoeker hiermee al bekend was op het moment dat hij de uitnodiging voor de zitting had ontvangen. Door het wrakingsverzoek pas zes weken na de kennisgeving van de zitting te doen, is in zoverre niet voldaan aan artikel 8:16, eerste lid, van de Awb. Dat betekent dat deze wrakingsgronden niet inhoudelijk worden beoordeeld.
Uit 3.1 tot en met 3.3 volgt dat het verzoek om wraking van mr. T.L. de Vries,
mr. H.J. Simon en mr. E.E.V. Lenos moet worden afgewezen.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking af.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en J.F. Bandringa en
M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 november 2015.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) M.S. Spek